© Albert
STEENWIEK

Verdwenen historie

Gasfabriek

De gasfabriek werd in 1859 opgericht aan de Tukseweg in Steenwijk. In 1899 werd het bedrijf over- genomen door de gemeente: Hermanus Jo- annes Wieringa was de eerste directeur. Vanaf 1921 beschikte Steenwijk over elektriciteit en de laatste gaslantaarns werden vervangen door elektrische verlichting in 1933. Met de komst van aardgas werd de gasfabriek over- bodig en werd in 1952 afge- broken.                                                                                                                                              

Groenteveiling

De groentenkwekers brachten vroeger hun groenten altijd per punter naar Steenwijk; voor het ge- maaltje moesten hun vaartuigen dan worden geschut. Hier waren namelijk sluizen, die later ook zijn verdwenen. De groentenkwekerij kwam toen op volle gang en de Oostermeenthe speelde een grote rol bij de tuinbouw. Er zijn wel tijden geweest, dat er in Steenwijk en omgeving gebrek was aan groente, maar sinds de ontginning van de Oostermeenthe had men ruimschoots voldoende. Wisten aanvankelijk de tuinders zelf de groenten aan de man te brengen, toen de kwekerij op de Meenthen zich steeds uitbreidde, werd het initiatief genomen om in Steenwijk een Coöperatieve Veilingvereniging op te richten. Op 9 september 1912 werd de oprichting een feit en op 10 juni 1913 veilde men  de eerste groente op stukje grond, dat door de gemeente was afgestaan. Deze groente- verkoop werd gehouden bij het z.g. „wiede gat" achter de voormalige Pasman's fabrieken. De opzet was zeer klein, maar het ging voorspoedig met de jonge veilingvereniging, zodat deze weldra moest worden uitgebreid. Het geschiedenisboek vertelt, dat de heer L. ter Horst voorzitter was en tevens veilingmeester. J. Visser was tweede voorzitter en de heren H. M. J. Doom secretaris, J. J. Bijkerk Czn. tweede secretaris, G. Jansen penningmeester en verder hadden nog in het eerste bestuur zitting de heren R. Beute en A. Aalderson. De kwekers moesten in het begin zelf voor verpakkingsmateriaal zorgen en een ieder ging zijn eigen gang. De verkoop geschiedde geheel anders dan tegenwoordig. Augurken bijvoorbeeld werden per duizend stuks verkocht. Deze manier van verkoop voldeed ech- ter niet en er werd overgegaan tot een andere methode: de vereniging stelde verpakkingsmateriaal beschikbaar. Eerst waren het manden, maar in 1936 kwamen pas de houten kisten, waar allerlei kleingoed in verpakt kon worden. In het eerste jaar, dat de veiling op gang kwam, werd voor een bedrag van f 49.978,— aan groenten geveild. In de oorlogsjaren 1914—'18 ging het uitstekend met de groentekwekerij in Steenwijk. Er werd toen een omzet geboekt van f 225.296,68. Deze aanvoer was te danken aan de tuinbouw op de Oostermeenthe. In die tijd was er veel export naar Duitsland, maar na 1918 kwam er een grote teruggang voor de veiling. Zelfs zo, dat er in 1922 voor slechts f 60.000,— werd verhandeld. In 1925 verhuisde de veiling naar het terrein van de Spoorwegen en een jaar later werd de Coöperatieve Veilingvereniging Steenwijk en Omstreken W.A. opgericht. Dit W.A. werd later gewijzigd in G.A. De vereniging beschikte over een veilingklok, die in het jaar 1923 in gebruik werd genomen. Voordien was de heer P. Zwolle lange tijd afslager. De veilingvereniging kreeg in 1939 een definitieve plaats: het terrein waar ze nu nog is gevestigd en dat toebehoorde aan de houthandel firma Aberson. Zo heeft de Meenthe bij de Steenwijken tuinders lange tijd een belangrijke rol vervuld. Toen echter een terugslag kwam in de groentekwekerij, besloot de N.V. de gezamenlijke tuinders  het tuinbouwbedrijf op te geven, waardoor de Oostermeenthe als tuinbouw- gebied verloren ging. Dit betekende een versmalling van de tuinbouwbasis, die in latere jaren onge- twijfeld haar invloed heeft doen gelden. Het groenten kweken op de Meenthe had zeker enkele na- delen, want in het voorjaar waren de gewassen vrij spoedig aan vorst onderhevig. Ook ontstond er in de appel- en pruimenbomen veel ziekte. Mede door deze moeilijkheden werd in de twintiger ja- ren het groenten kweken op de Oostermeenthe gestaakt en werden de gronden ingezaaid voor grasland. De Meenthen hebben nog een andere betekenis gekregen door de destijds in gebruik ge- nomen ijsbaan, de z.g. „Vlakte". Deze landerijen waren toen bij de winterdag een plekje van ver- maak, want wanneer het vele Drentse water door de oude Steenwijken Aa kwam opdringen, liepen de meeste landerijen onder water en was het één grote ijsvloer. Jacob Bijkerk bezat een ijsslee en suisde toen, als de wind een beetje krachtig was, over de grote ijsvlakte. Daarnaast hebben hier ve- le Steenwijkers de eerste stappen gedaan op de gladde ijzers, want men kende nog geen ijsbaan. Op de Woldmeenthe kreeg men ander vertier, want in de begintijd van de vliegmachine werden op het zogenaamde „hoge tin" demonstraties gehouden met vliegtuigen en parachutespringers. Wat zal dit complex grond, of tenminste een deel daarvan, nog in de toekomst voor Steenwijk gaan be- tekenen? Immers een grote strook hiervan is bestemd voor industrieterrein en misschien zullen daar in de komende tijd weer velen werk vinden, zoals dat vroeger het geval was met het weiden van vee, het afgraven van veen en het kweken van groenten.

Huize Zonnehoek

Deze fraaie villa  uit 1905  en in art -nouveaustijl  heeft gestaan aan de Trompmeesterstraat en he- laas door brand verwoest op 22 september 1986 en is helaas niet weer opgebouwd. Het ontwerp was de Steenwijker architect B. Rouwkema, en met inbreng van sommige elementen door de Kam- per architect G.B. Broekema. Het werd gebouwd in opdracht  van de specerijen fabrikant B.J. Ploak

Johan van der Kornputkazerne

De Johan van den Kornputkazerne werd begin 1940 opgeleverd en gedurende de oorlogsjaren door de Duitsers gebruikt. Direct na de oorlog werden er troepen voor de inzet in Nederlands- Indië op- geleid en vervolgens werd de kazerne gebruikt voor de opleidingen van het Regiment Infanterie Johan Willem Friso. In 1953 werd er het parate, tot het Regiment Infanterie Oranje Gelderland (RIOG) behorende 423 Bataljon Infanterie Oranje Gelderland gelegerd. Het bataljon dat de enige gebruiker van de kazerne was, werd in 1964 vooruitlopend op de invoering van de YP-408 omge- doopt in 45 Pantserinfanteriebataljon. Tevens werd het bataljon in dat zelfde jaar de traditiedrager van het RIOG, daartoe kwam het regimentsvaandel over uit Roermond. Vanaf toen werden beëdi- gingen van nieuw benoemde officieren uitgevoerd op de van den Kornputkazerne. Ook vonden er de jaarlijkse korpsdiners plaats en de reünies van de Indië-veteranen van de tot het RIOG behoren- de infanterieregimenten. 45 Painfbat werd samen met 43 en 44 Painfbat vanwege hun legering in het agrarische noorden, de Boerenbataljons genoemd. In najaar 1974 dreigde na zware regenval een mislukte aardappeloogst in Zeeland. Enkele dienstplichtigen van 45 Painfbat kwamen met het idee om militairen in te zetten om de aardappels met de hand te oogsten. Dit groeide uit tot een Landmachtbrede aktie. Vrijwel heel het bataljon reisde op vrijwillige basis af naar Zeeland om te helpen met de oogst. Ook in de jaren ’70, maar van een heel andere orde van grootte, was de inzet van het bataljon tijden de treinkapingen door Molukkers in De Punt en bij Wijster in Drenthe, en la- ter bij de bezetting door Molukkers van het Provinciehuis in Assen. Toen de Koude Oorlog in 1990 onverwacht ten einde kwam begon de Landmacht te krimpen en op grote schaal te reorganiseren. Eén van de gevolgen was dat 45 Painfbat op 29 oktober 1991 zijn traditie van het RIOG moest over- dragen om daarna de traditie van het Regiment van Heutsz voort te zetten. Ze nam die over van het mobilisabel gestelde 48 Painfbat uit Den Bosch. Omdat de kazerne waar 48 Painfbat gelegerd was afgestoten werd, kwamen behalve de traditie het van Heutszmuseum en enkele monumenten uit Den Bosch naar de van den Kornputkazerne. Lang zou dit niet duren want in 1994 werd ook 45 Painfbat opgeheven. In 2005 is het weer opgericht en momenteel op de Generaal Spoorkazerne te Ermelo gelegerd. De laatste dienstplichtigen van 45 Painfbat zwaaiden in 1994 vervroegd af en het beroepskader ging over naar het op de kazerne opgerichte 41 Schoolbataljon, dat de opleiding van de vervangers van de dienstplichtigen, de Beroeps Bepaalde Tijd (BBT'ers) ging verzorgen. Het Schoolbataljon zou in 1998 naar de JWF-kazerne in Assen verhuizen. Het Schoolbataljon was de laatste gebruiker van de Landmacht, hierna werd de kazerne gebruikt om een deel van de dan steeds groter wordende stroom asielzoekers op te vangen. Er volgde een verbouwing, omdat met zijn tienen op één kamer liggen buiten het leger niet populair is. Toen de stroom asielzoekers af- nam was de kazerne ook in deze vorm niet meer noodzakelijk en kwam leeg te staan. De naam Johan van der Kornput Johan van den Kornput werd geboren in april 1542 en stamde uit een welge- steld Breda's geslacht. Hij ging in de leer in Duisburg bij Gerard Mercator (ondermeer beroemd car- tograaf) en vervaardigde later stadsgezichten. Sinds 1574 was hij betrokken bij de opstand tegen Spanje. In 1578 was van den Kornput aktief bij de belegering van Deventer en later leidde hij de succesvolle verdediging van Steenwijk eind 1580, begin 1581. De stad zou in 1582 weer in Spaanse handen vallen. Van den Kornput hield zich dan bezig met andere zaken, zo was hij aktief bij het ont- werpen van vestingwerken en  belegeringsmiddelen. In 1592 werd onder leiding van prins Maurits Steenwijk weer terug veroverd en van den Kornput was erbij. Zijn laatste jaren sleet hij als garni- zoenscommandant van Coevorden en Emden. Hij overleed op 17-9-1611 en werd begraven in de Martinikerk te Groningen.

Poppenrijk

Van tabak naar Poppen Voor de Tweede Wereldoorlog was er alleen sprake van een bloeiende handel in tabaksartikelen. In de oorlog maakten de eigenaars, de gebroeders Henk en Arend Nolles,  duizenden filters voor siga- retten in hun fabriek. In die oorlogsjaren was er een tekort aan allerlei materiaal om de zaak draai- ende te houden. Het hoofdzakelijk vrouwelijk  personeel, zestien in totaal, had nauwelijks genoeg om handen. Er werd van alles bedacht om de mensen aan het werk te houden. Bij toeval kregen de gebroeders Nolles een lappenpopje in handen. Zo ontstond het idee om dergelijke popjes te gaan maken. Van Singer uit Leeuwarden werden zestien naaimachines geleend en de stof werd opge- kocht van noodlijdende textielfabrieken uit Drenthe. Deze stukjes stof werden omgetoverd tot keu- rige lappenpopjes, gevuld met houtwol. De ogen, neus en mond werden er op  geborduurd. De lap- penpop bleek een groot succes. Maar helaas, in de laatste oorlogsjaren ontstond er een gebrek aan diverse materialen, en de meisjes van de fabriek werden alsnog naar huis gestuurd. Henk en Arend Nolles moesten onderduiken. Papier-maché Toen de oorlog voorbij was werd besloten door te gaan op de ingeslagen weg. De firma werd voort- gezet onder de naam 't Poppenrijk. De  gebroeders Nolles zochten naar een steviger uitvoering en er werd begonnen met het gezichtje. Ze brachten de stoffen pop op de markt  met een papierma- ché maskertje. Toch waren de gebroeders Nolles niet tevreden met resultaat en werd de gehele kop van papiermaché  gemaakt. Arend Nolles, een man met een technische knobbel, ontwierp een fa- bricageproces voor een degelijke pop: volledig gemaakt van papiermaché. Arend Nolles bedacht ie- dere stap van de productie. Ook de machines werden geheel door hem ontworpen. Om de  kosten laag te houden werden de oude Tabaksplant omgebouwd tot papiermaché persen. Om de grote machines te kunnen plaatsen  zochten de gebroeders naar een geschikte ruimte en deze werd ge- vonden aan het Steenwijkerdiep. De graanmaalderij van Talen werd  het onderdak voor 't Poppen- rijk. Dit was het begin van een bijzondere en succesvolle tijd.  Wildebras  Op 25 april 1953 werd de naam " Wildebras " gedeponeerd als handelsmerk voor de talrijke poppen die bij 't Poppenrijk werden gemaakt. De papiermachépoppen werden geproduceerd in een aantal van 1500 per week, wat neer kwam op 80.000 poppen per jaar. Oost-Duitsland was het eerste land dat een stuk van de poppenmarkt afpakte dat  voorheen alleen aan Wildebras toebehoorde. In een later stadium kwamen Japan, Italië en Spanje daarbij. Zelfs Lego werd een concurrent. Polyetyleen  In 1957 introduceerde 't Poppenrijk de plastic (polyethyleen) pop op de voorjaarsbeurs in Utrecht. Deze pop met gemodelleerd haar was de topper van de beurs. In 1960 presenteerde " Wildebras " de eerste pop in polyethyleen uitvoering met ingeplant haar. Eindelijk een pop  waarvan men het haar echt kon kammen en borstelen. In 1962 begon 't Poppenrijk met het fabriceren van vinyl hoof- den met ingeplant haar  en slaapogen. De Wildebras pop profiteerde van het feit dat er al jaren vi- nylpoppen op de markt waren. `Speelgoedfabriek 't Poppenrijk 't Poppenrijk maakte niet alleen poppen, maar legde zich ook toe op construktiespeelgoed en speelgoedauto's. Deze werden van het zelfde vinyl gemaakt als de poppenkoppen. 't Poppenrijk groeide in de jaren zestig uit tot een bedrijf met meer dan 100 werknemers. Rond 1970 kwam er meer concurrentie uit het buitenland en moesten er mensen ontslagen worden. In 1973 werd 't Poppenrijk verkocht, maar zoon Harry Nolles bleef als directeur aan het roer. Op 22 december 1976 sloeg het noodlot toe: de fabriek brandde geheel af. De schade was enorm. Niet alleen een schade van 3 miljoen maar ook een eco- nomische klap voor Steenwijk. Van herbouwen kwam niets meer. Het bedrijf op zich bleef bestaan. Na 1978 werden pop-pen geÏmporteerd door Harry Nolles die de naam Wildebras kregen. Deze poppen zijn d.m.v. een sticker op de rug gemerkt, of door een Wildebraslabeltje aan de pols. De echte Wildebras, zoals te zien is in Het Stadsmuseum, wordt niet meer gemaakt. Kranten artiekel Leeuwarder courant 15 jan. 1977  Na de brand in Steenwijker industrie. Dertig poppen is alles van Nederlands laatste poppenfabriek. Het is kil in de tot showroom gepromoveerde ruimte. Dertig poppen in dozen naast elkaar, star en stijf achter strak cellofaan. Het wachten is op kinderhanden  die ze tot leven brengen. Dat wachten kan lang duren. Want de laatste Nederlandse poppenfabriek, 't Poppenrijk in Steenwijk, is vlak voor Kerstmis door brand verwoest. Die  dertig poppen is alles wat directeur Harry Nolles (32) nog heeft. De brand kwam op een erg ongelukkig moment. Nolles dacht dat hij de concurrentieslag met de DDR eindelijk had gewonnen. Hij droomde dat zijn Wildebrassen zo heten de poppen weer net zo glorieus de markt zouden veroveren als in de jaren vijftig. Want ze zitten nu thuis. Wie het ook zul- len merken zijn de thuisnaaisters. In het seizoen  dat is van augustus tot vlak voor Sinterklaas wa- ren er soms honderd in de weer om de poppen aan te kleden. Voornamelijk getrouwde vrouwen die het, meer dan in het Westen, uit noodzaak deden. Slechts een enkele huisvrouw in het ten weliswaar niet volgestopt met technisch vernuft, zodat je ze bijvoorbeeld met afstandsbediening kunt laten plassen, maar ze zijn wel gewoon lekker stevig. Met een verfomfaaide wildebras, die tij- dens een te innige omhelzing  een been is uitgedraaid, kan je nog spelen. Met een piaspop, waar- van de techniek in het ongerede is geraakt, eigenlijk niet meer. De poppenfabrikant verliest nu hoe dan ook  terrein. Zelfs als hij besluit door te gaan. Het duurt maanden voordat de speciaal voor 't Poppenrijk vervaardigde machines kunnen worden geleverd. Hetzelfde geldt voor de  kostbare ma- trijzen. "We hadden zeventig verschillende modellen. Nu heb ik alleen maar dit". Vaag wijst hij naar de dertig poppen in hun mooiste kleren. Een terneergeslagen  directeur in een achterstandsgebied. Vooral de Amerikaanse toerist zal het merken dat het gebrand heeft daar in Steenwijk. Want de Wildebrassen in hun Volendammer en  Staphorster kleding zullen niet meer voor het grijpen liggen tussen de klompen en de molens in de souvenirwinkels. Noorden deed het om iets anders omhan- den te hebben dan de sherryfles. Ook voor de 23 mensen die vast aan het bedrijf zijn verbonden, is het af wachten. Evenals hun  directeur weten ze weinig meer dan het schadebedrag: drie miljoen gulden. Verder weten ze dat nieuwbouw, hoe gunstig de verzekering ook mag uitkeren, erg duur is. "Mijn vader had in de oorlog een groothandel in tabaksartikelen. Er was toen geen tabak. Geen lu- cratieve bezigheid dus. Maar na de oorlog was Duitsland weg en was Japan weg. De  speelgoedin- dustrie was dus weg. Daarom stapte mijn vader van tabak op de poppen over. Het liep enorm. Eerst die van papiermaché, later die van kunststof. We waren de eersten in Europa die poppen van kunst-stof konden blazen. Toen kwamen de Oostduitsers opzetten. Ze maakten speelgoed tegen prijzen waartegen in het Westen niet viel op  te boksen. Het kostte mij hetzelfde alleen al aan mate- riaal". De fabriek in Steenwijk moest inkrimpen. Nolles moest op zoek naar nieuwe afzetgebieden. Die vond hij in de  Nederlandse- Antillen. Daar wilden ze graag zijn poppen hebben. Merkwaardig genoeg vooral blanke. "De vraag naar negerpoppen is trouwens toch gering. Ik had er vóór de  brand nog maar eentje in m'n collectie. Het gekke is dat ze ook in Afrika alleen blanke poppen willen hebben. En dan bedoel ik beslist niet alleen Zuid-Afrika, want daar komen sowieso geen zwarte poppen binnen, net zomin trouwens als in België tijdens de toestanden in de Kongo. De zwarte landen willen graag blanke poppen. Misschien is het  wel zo dat de meeste negers blank willen zijn, want waarom zouden de vrouwen anders hun haar ontkroesen". SLUIK HAAR De enig overgebleven negerpop onder de Wildebrassen heeft inderdaad sluik haar. "Hoe mooi ik zwart en dus ook kroeshaar mag vinden, ik moet natuurlijk wel die  poppen verkopen", zegt Nolles. Daarom ook zijn de meeste gekleed volgens de laatste mode. Nostalgische dessins, veel bloemetjes derhalve. Verkoopbaar bleek Wildebras altijd wel te zijn. Ondanks de concurrentie van de DDR en dank zij de nieuwe markt  verlieten vorig jaar zeventigduizend poppen de fabriek in Steenwijk. Een aantal dat Nolles in 1977 vast niet zal halen.

Tabaksindustrie

De Steenwijker tabaks industrie  is jammer genoeg in rook  vervlogen. Omstreeks 1890  sterk ont- wikkeld maar  rond 1950  was het bijna voorgoed voorbij. De grootste fabriek werd  De Tabaksplant  voorheen Rijkmans waar vroeger wel honderd mensen werkten. De fabriek  was in de Neerwold- straat waar bekende merken werden gemaakt Albert Cuyp en Titus en pruim tabak Nikeso. Doosje met sigaren in verpakking van de Witte Raaf. In 1922  werd een fabriek opgericht met de naam de Witte Raaf waarvan de werknemers tevens  aandeelhouder waren. De laatste plaats van de fabriek is geweest  aan de Tukseweg  op de parkeer- plaats  van woning inrichting  D. De Vries en nu Lidll staat. De fabriek heeft bestaan tot 1953  onder de naam  De Witte Raaf, er werden verschillende soorten gemaakt.

Tot Steun in de Strijd

Het Steenwijker Fanfarekorps Tot Steun in de Strijd door Jurjen Tiesnitsch Beeldmateriaal en vorm- geving: Lebbert van Dalen In het begin van de vorige eeuw waren er voor de arbeiders weinig of geen culturele verenigingen. Doordat de werknemers zich steeds meer gingen organiseren, ont- stond er langzamerhand de behoefte om ook op het gebied van zowel toneel als muziek, activitei- ten aan de dag te leggen. En zo gebeurde het dat in Steenwijk een korps van socialistische signa- tuur werd opgericht op 26 februari 1918 onder de naam Tot Steun in de Strijd, maar aangezien dit een ‘mondvol’ was, gebuikte men meestal de benaming TSIDS  of kortweg: Steun. Het was groten- deels de voortzetting van het in 1916 ter ziele gegane Steenwijker Fanfarecorps, dat door tegensla- gen als gevolg van de mobilisatie in 1914-1918, het hoofd niet boven water had kunnen houden De initiatiefnemers van de oprichting van het nieuwe korps, dat de ‘spreek’buis  moest zijn van de moderne arbeidersbeweging, waren de heren G. List, R. Scheenstra, B. Soetenhorst  en H. de Vroo- me. De oprichting van de arbeidersmuziekvereniging, waarbij ook de Steenwijker Bestuurdersbond was betrokken, is geen sinecure geweest, want waar moest het bedrag van ƒ 400,=  vandaan komen, waarmee de instrumenten van  het ontbonden Steenwijker Fanfarecorps betaald  moesten wor- den?. Toch is het uiteindelijk gelukt om een  bloeiende muziekvereniging van de grond te krijgen.  Vanaf 1925, toen het korps zich bij de Federatie van Harmonie- en Fanfarekorpsen aansloot, zijn de muzikale prestaties van het korps nauwkeurig bijgehouden. Toen – na de dirigenten B. Soetenhorst en J. Groenendaal, de heer J.C. van Kerkvoorde vanaf 1922 de dirigeerstok hanteerde, heeft het korps in de periode van 1925 tot 1937 bijna jaarlijks een concours bezocht. In 1927 behaalde Steun op het concours in Zwolle twee eerste prijzen. De voortvarende Van Kerkvoorde wist heel wat uit zijn mensen te halen. Speelde het korps in 1925 nog in de Vierde Afdeling Fanfare, in 1932 was het opgeklommen naar de Eerste Afdeling. In dat jaar behaalde het in Almelo twee eerste prijzen! Van  Kerkvoorde was een zeer geziene dirigent. Hij was de zoon van J.J. van Kerkvoorde, die in 1890 het Steenwijker Fanfarecorps had opgericht. Van Kerkvoorde jr. heeft van 1922 tot 1945 de scepter over TSIDS gezwaaid. De jaren 1940 tot 1945 ver- liepen voor het korps minder voorspoedig omdat de bezetter tijdens deze periode het culturele leven nagenoeg  monddood had gemaakt. Na de bevrijding nam de heer D. de eele de muzikale leiding van Steun  over, maar niet voor lang: kort na zin aanstelling werd hij opgevolgd  door de heer H. Posthumus. Onder zijn leiding heeft TSIDS eenmaal een concours (in Laag Soeren) bezocht, maar helaas moesten de muzikanten genoegen nemen met een teweede prijs en dat betekende: geen promotie. Dit zou tot 1960 op zich laten wachten. Tal van evenementen werden door Steun muzikaal omlijst: de opening van de weg Steenwijk-Blok- zijl op 22 april 1950, de jaarlijkse intocht van Sint Nicolaas, de ontvangst van de ouderen na hun jaarlijkse uitstapje en de Avondvierdaagse die in Steenwijk een jaarlijks hoogepunt vormde en de muzikale bijdrage aan de viering van Steenwijk 700 jaar stad in 1955 zijn enkele voorbeelden hiervan. In  de jaren vijftig werden er twee jubilea gevierd. In 1953 bestond de vereniging 35 jaar. In hotel Centraal werd een receptie gehouden, waarbij drie van de vier oprichters aanwezig waren: de heren G. List, R, Scheenstra en oud-voorzitter H.De Vroome. Ook de oud-dirigent. de heer J.C. Kerkvoorde, woonde de bijeenkomst bij. Er werden 31 bloemstukken en 26 enveloppen aangebo- den. Een grote verrassing was dat de Christelijke Muziek Vereniniging Crescendo, een zustervereni- ging waarmee niet altijd even warme contacten mee bestonden, het jubilerende muziekkorps een serenade bracht! In datzelfde jubileumjaar werd Steun  getroffen door een zware slag toen voorzit- ter Jan Jongendijk plotseling overleed. Zijn opvolger werd de heer H. Pit. Inmiddels was er een nieuwe dirigent benoemd, omdat een aantal leden ontevreden was over de muzikale prestaties. De keuze viel op de heer L. Kramer uit Leeuwarden. In de Friese hoofdstad  was hij dirigent  van de Leeuwarder Politiekapel. Een man met kennis en een krachtige dirigeerstijl, niet altijd gemakkelijk, maar recht op het doel af. Onder zijn gezagvolle leiding groeiden de prestaties zienderogen. Deelname aan het concours in Coevorden leverde 103 punten op en dat betekende een eerste prijs!. In 1957 werden verschillende secties geheel of gedeeltelijk van gloednieuwe instrumenten voor- zien. Hiervoor had de gemeente een renteloos voorschot van f 4000,= verstrekt. In datzelfde jaar ging Steun opnieuw de strijd aan tijdens een concours in Hees bij Nijmegen, maar helaas moest men zich tevreden stellen met 93 punten en daarmee was de hoop op een promotie vervlogen. In 1958 vierde men het veertigjarige jubileum. Ook nu werd de receptie in hotel Centraal gehouden. Van de oprichters was alleen nog de hoog-bejaarde heer G. List aanwezig. Piet Jongedijk, Peter Leeuwerink en Cornelis Oost die van begin af aan lid waren van de vereniging, werden bij deze ge- legenheid flink in het zonnetje gezet en Willem Bakker en Moos de Vroome vierden bij deze gele- genheid hun vijfendertigjarige lidmaatschap. Het concours in dit jubileumjaar dat in De Wijk werd gehouden, leverde wederom geen hoge ogen op. Één van de leden herinnert zich hiervan het vol- gende: “Wij waren erg gespannen. De dirigent gedecideerd en  naar ik meen ook enigszins ner- veus. Met zijn dirigeerstok  probeerde  hij  goede  prestaties af te dwingen, het wilde niet echt goed lukken. Wie het was of wie weer hij niet goed meer, maar opeens merkte ik dat er iets heel erg fout ging. Kramer keek vel en uite bittere klanken. Ook deze ogenschijnelijke zo rustige man, liet zich in het vuur van de strijd even flink gaan. ‘t Was ook maar een mens. Streng, resoluut ,maar ook emon- tioneel. “een promotie dus. In 1959 werd de heer Kramer vervangen door de heer J. Hogerheyde uit Meppel en overleed de heer Timmerman, de leider van de drumband tengevolge van een tragisch ongeval. De heer Brinkman, instructeur van de Militaire Drumband van de Johan van den Kornput- kazerne, volgde hem op. Hogerheyde begon enthousiast en bouwde succesvol voort op de funda- menten van zijn voorganger, de heer Kramer. Hierdoor maakte hij goede sier tijdens het concours in Haarlo. Kramer had gezaaid en Hogerheyde oogstte. Steun behaalde met 101 punten de eerste prijs en bereikte met dit resultaat de Afdeling Uitmuntendheid. Grote vreugde alom In 1959 werd de heer Kramer vervangen door de heer J. Hogerheyde uit Meppel en overleed de heer Timmer- man, de leider van de drumband tengevolge van een tragisch ongeval. De heer Brinkman, instruc- teur van de Militaire Drumband van de Johan van den Kornputkazerne, volgde hem op. Hogerheyde begon enthousiast en bouwde succesvol voort op de fundamenten van zijn voorganger, de heer Kramer. Hierdoor maakte hij goede sier tijdens het concours in Haarlo. Kramer had gezaaid en Ho- gerheyde oogstte. Steun behaalde met 101 punten de eerste prijs en bereikte met dit resultaat de Afdeling Uitmuntendheid. Grote vreugde alom. In 1961 brak er voor de Steenwijker korpsen een groot gebeuren aan: op 25 april van dat jaar wer- den nieuwe uniformen aan de bevolking van de stad Steenwijk gepresenteerd. Voor deze gelegen- heid had Steun een ambitieuze show ingestudeerd en met succes uitgevoerd. Deze werd dan ook enthousiast door het publiek begroet. Het gevolg was dat het korps werd uitgenodigd in Blokzijl en Nijeveen om daar de show opnieuw te presenteren. Drumband en fanfare maakten hierdoor meer bij elkaar betrokken. In deze periode maakte Steun een bloeitijd door. Maar hoe vreemd kan het gaan - niet lang daarna trad er een kentering op. De jaarlijkse uitvoering in het Roxy theater trok in de loop van de jaren zestig steeds minder bezoekers. De repetities werden steeds slechter bezocht, ook de dirigent was vaak afwezig en de instructeur van de drumband vertrok. In 1966 was de animo tot een nulpunt gedaald. “Een droevig verschijnsel, “met ons vijftigjarig bestaan in zicht” zo vermeld- de secretaris Peter Leeuwerink - de nog steeds betrokken muzikant en werker van het eerste uur – in zijn notulenboek. “Laten we echter de moed niet laten zakken en eendrachtig samenwerken, ge- regeld de repetities bezoeken, misschien schijnt dan de zon ook nog eens weer voor TSIDS”. Maar de zon brak niet door. Het bleef schemerig en later zou de duisternis invallen. In 1967 maakte het korps een absoluut dieptepunt door. Tijdens de Avondvierdaagse was Steun niet meer in staat vol- doende Mensen op de been te brengen om aan dit traditionele gebeuren een bijdrage te leveren. Zou het korps zijn vijftigjarig jubileum nog meemaken? Velen twijfelden hieraan. Maar toen trad op initiatief van de heer Jan Bruinewoud een commissie naar voren die het tij trachtten te keren. Hij en een drietal andere, toen nog jeugdige mensen, te weten Piet Jongedijk jr., Jan de Vries en Henk Ym- ker,  probeerden het korps nieuw leven in te blazen. Er werd een datum vastgesteld voor een uit- voering en receptie ter gelegenheid van het vijftigjarige bestaan van TSIDS. Het Vrije Volk melde naar aanleiding van de  jubileum bijeenkomst in het Roxy theater: “Steenwijks Fanfarekorps Tot Steun in de Strijd is de inzinking weer te boven; het jubilerende korps speelt weer als vanouds.” Henk Ymker, de nieuwe voorzitter, kon zich verheugen in een grote belangstelling voor het jarige korps

Touwenbanen aan de grachten

Steenwiek kende  in de 19 eeuw zes lijnbanen: van de touwslager Langman (overkant Noorwal), Middelwijk overkant Molenwal) Panhuis (wal Goeman Borgesiusstraat), Oost (op de Steenwijker Kamp), Visscher (tot 1953: Hogewal) en Van Dalen (tot 1868: Molenwal, tot 1966: overkant westzijde Looijersgracht). In 1966 betrok men een nieuwe touwslagerij aan de produktieweg. Deze werd in 1985 opgeheven. De touwslager deed zijn werk in de open lucht, overdekt of in een tentachtig geheel, op een touw- slagerij of lijnbaan: een soms wel 300 meter lange, smalle strook grond waarboven vele door een spinner aangeleverde garens, werden uitgeschoren (uitgelopen). Het touw kwam terecht in een "kuil", een nog steeds bestaande lengtemaat voor touw. Aan een van de uiteindes van de lijnbaan werden de garens in groepjes aan de haken van een wiel of slagmechanisme (slinger) bevestigd, aan iedere haak een groepje garens. Daar stond ook een teer- en drooghuis. Aan de andere zijde van de lijnbaan werden de garens allemaal aan de ene haak, de lammeroen, van de lopende bok vast gemaakt. Deze lopende bok was een karretje met twee wielen en een over de grond slepend uiteinde waarop gewichten konden worden gezet, om zodoende de kracht waarmee de garens in elkaar werden gedraaid te kunnen regelen. Zo kon de kracht waarmee de garens tot strengen wor- den gedraaid worden bepaald en daarmee de uiteindelijke trekkracht en de stijfheid van het touw. Ook bevond zich aan dit uiteinde van de lijnbaan de klos: een taps toelopend en voor iedere groep- je garens ingekerfd stuk hout dat hier de garens uit elkaar moest houden. De term touwslaan wordt verklaard doordat er tijdens het proces gebruik werd gemaakt van haken en als een haak in de rondte draait zegt men dat de haak in de rondte slaat. De ronddraaiende haken brengen dus slagen in de groepjes garens aan. Het wiel, de slinger werd vervolgens, meestal door kinderen, zoals van Michiel de Ruyter bekend is, rondgedraaid zodat door het ronddraaien van de haken (torsie) uit ieder groepje garens een streng (ineen gedraaide garens) ontstond. Vervolgens werden deze strengen met behulp van een houten klos onder voortdurend blijven draaien aan het wiel ook weer in elkaar gedraaid tot een touw, het zogenaamde wantslag touwwerk. Deze klos zorg- de in dit stadium ervoor dat de strengen tijdens het draaien maar op een plek om elkaar heen wer- den gedraaid (alleen achter de klos aan de kant van de losse bok) en dat de strengen heel regelma- tig in elkaar werden gedraaid. Tevens kon door met de klos mee te lopen en deze te-gen te houden of juist mee te duwen richting slagmechanisme de lengte van de slag van het touwwerk bepaald worden: de lengte waarover de strengen van een touw een volle slag om elkaar heen worden ge- draaid. Hoe korter deze slag hoe stijver het touwwerk. Om verschillende touw diktes te produceren werd het aantal garens per haak vermeerderd. Met enkele van zulke wantslagtouwen kon vervol- gens het proces worden herhaald, zodat het mogelijk was om dikke flexibele scheeptrossen te ma- ken, het zogenaamde kabelslag touwwerk. Touw werd volop gebruikt voor de tuigage van zeilsche- pen. Touwslagerijen kwam men dan ook vooral tegen in havensteden. Veel van deze steden hebben nog steeds straten waarvan de naam aan deze voormalige functie herinnert, bijvoorbeeld de Lijn- baan in Rotterdam, de Lijnbaan in Steenwijk

Zilversmeden

Fa. Bijkamp & Co  de laatste zilversmid . In het pand Markt 2 te Steenwijk was sinds 1835 de zilver- smidswinkel van Bijkamp gevestigd. Op 14 februari van dat jaar liet Meine Bijkamp zich te Zwolle bij het Waardeborgkantoor inschrijven als goud- en zilversmid. Tot die tijd had hij als knecht gewerkt bij zijn neef Gerard Archibald Stuart, even- eens zilversmid te Steenwijk. Bij het overlijden van Meine Bijkamp in 1898, op negenentachtigjarige leeftijd, werd het bedrijf voortgezet door zijn zoon Jan Meine Bijkamp, die echter al in 1903 kinderloos overleed. Twee zonen van zijn zuster Jentje Bijkamp uit haar huwelijk met Haije Visser, zetten het bedrijf voort onder de naam Fa. M. Bijkamp. In 1909 trad Meinard uit de firma. Jan Hendrik Willem Visser ( 1880 - 1950 ) heeft daarna kans gezien het, overigens al voor die tijd, goed renderende bedrijf uit te bouwen. In 1920 ging Visser voor wat betreft de aan de Weemstraat gevestigde fabriek/werkplaats, opnieuw een vennootschap aan: deze keer met zijn zwager Hendrik Roelof Bijkamp. Het bedrijf kreeg daarbij de naam Fa. Bijkamp & Co. De winkel aan de Markt werd in 1957 gesloten. De fabriek aan de Weemstraat bleef echter produ- ceren tot in 1974. Talloze voorwerpen zoals mandjes, asbakjes, briefopeners, suikertangen, beurs- en tasbeugels alsmede een onwaarschijnlijk grote hoeveelheid schepwerk zoals theelepels en taart- vorken hebben de werk- plaats verlaten. Zilversmeden in Steenwijk 1. Luetgen Goltsmitz Overleden voor 1560. 2. Christiaan Doore (of Doorn) 3. Johan Arends 4. Harmen Jansz. 5. Taeckele Mensch 6. Gerbrant Boncke. 7. Jannes Hoogland  8. Laurens Otterbos 9. Nicolaas Adolph Benthem 10. Gerben Piers Vogelzang    11. Jacobus Verschuyl 12. A.L. Reiners 13. Johan Christiaan Frederik Proger. 14. Hendrik Prins I   15. Albert Stuart I     Zilversmid 10-11-1765-1842   16. Dirk Dikkerboom     17.Gerard Archibald Stuart     gedoopt op 29-04-1716, overleden op 20-12-1785 op 69-jarige leeftijd. Gehuwd voor de kerk op 40-jarige leeftijd op 04-07-1756 te Steenwijk met Aaltjen BLOEMEN, 26 jaar oud, geboren op 12-01-1730, overleden op 30-01-1777 18. Hendrik Prins II 19. Nicolaas Alexander Stuart   zilversmid, geboren op 18-10-1801 te Steenwijk, overleden op 20-09- 1832 te Steenwijk op 30-jarige leeftijd. 20. Meinardus Bijkamp ,Meine Meinen Geboren 16-10-1808 overleden 1898 21. Jan Meine Bijkamp Geboren 21-3-1846 overleden 18-08-1903 22. Albert Stuart II    zilversmid, geboren op 09-03-1830 te Steenwijk, overleden op 14-09-1880 te Assen op 50-jarige leeftijd. 23. Johannes Steltman  24. A. Beertje Rijkmans, weduwe Johannes Steltman  25. Hendrik Meinardus van Sleen 26. Jan Meine Bijkamp  Geboren 21 maart 1846 overleden  18 augustus 1903. 27. Andries Rienks Steltman. Geboren 1830 overeleden 1866. 28. Lubbertus Steltman Geboren te Steenwijk in 1844  en overleden 11 juli 1910
© Albert Steenweik.nl
STEENWIEK

Verdwenen historie

Gasfabriek

De gasfabriek werd in 1859 opgericht aan de Tukseweg in Steenwijk. In 1899 werd het bedrijf over-genomen door de gemeente: Hermanus Jo- annes Wieringa was de eerste directeur. Vanaf 1921 beschikte Steenwijk over elektriciteit en de laatste gaslantaarns werden vervangen door elektrische verlichting in 1933. Met de komst van aardgas werd de gasfabriek over- bodig en werd in 1952 afge- broken.                                                                                                                                              

Groenteveiling

De groentenkwekers brachten vroeger hun groenten altijd per punter naar Steenwijk; voor het ge- maaltje moesten hun vaartuigen dan worden geschut. Hier waren namelijk sluizen, die later ook zijn verdwenen. De groentenkwekerij kwam toen op volle gang en de Oostermeenthe speelde een grote rol bij de tuinbouw. Er zijn wel tijden geweest, dat er in Steenwijk en omgeving gebrek was aan groente, maar sinds de ontginning van de Oostermeenthe had men ruimschoots voldoende. Wisten aanvankelijk de tuinders zelf de groenten aan de man te brengen, toen de kwekerij op de Meenthen zich steeds uitbreidde, werd het initiatief genomen om in Steenwijk een Coöperatieve Veilingvereniging op te richten. Op 9 september 1912 werd de oprichting een feit en op 10 juni 1913 veilde men  de eerste groente op stukje grond, dat door de gemeente was afgestaan. Deze groente-verkoop werd gehouden bij het z.g. „wiede gat" achter de voormalige Pasman's fabrieken. De opzet was zeer klein, maar het ging voorspoedig met de jonge veilingvereniging, zodat deze weldra moest worden uitgebreid. Het geschiedenisboek vertelt, dat de heer L. ter Horst voorzitter was en tevens veilingmeester. J. Visser was tweede voorzitter en de heren H. M. J. Doom secretaris, J. J. Bijkerk Czn. tweede secretaris, G. Jansen penningmeester en verder hadden nog in het eerste bestuur zitting de heren R. Beute en A. Aalderson. De kwekers moesten in het begin zelf voor verpakkingsmateriaal zorgen en een ieder ging zijn eigen gang. De verkoop geschiedde geheel anders dan tegenwoordig. Augurken bijvoorbeeld werden per duizend stuks verkocht. Deze manier van verkoop voldeed ech-ter niet en er werd overgegaan tot een andere methode: de vereniging stelde verpakkingsmateriaal beschikbaar. Eerst waren het manden, maar in 1936 kwamen pas de houten kisten, waar allerlei kleingoed in verpakt kon worden. In het eerste jaar, dat de veiling op gang kwam, werd voor een bedrag van f 49.978,— aan groenten geveild. In de oorlogsjaren 1914—'18 ging het uitstekend met de groentekwekerij in Steenwijk. Er werd toen een omzet geboekt van f 225.296,68. Deze aanvoer was te danken aan de tuinbouw op de Oostermeenthe. In die tijd was er veel export naar Duitsland, maar na 1918 kwam er een grote teruggang voor de veiling. Zelfs zo, dat er in 1922 voor slechts f 60.000,— werd verhandeld. In 1925 verhuisde de veiling naar het terrein van de Spoorwegen en een jaar later werd de Coöperatieve Veilingvereniging Steenwijk en Omstreken W.A. opgericht. Dit W.A. werd later gewijzigd in G.A. De vereniging beschikte over een veilingklok, die in het jaar 1923 in gebruik werd genomen. Voordien was de heer P. Zwolle lange tijd afslager. De veilingvereniging kreeg in 1939 een definitieve plaats: het terrein waar ze nu nog is gevestigd en dat toebehoorde aan de houthandel firma Aberson. Zo heeft de Meenthe bij de Steenwijken tuinders lange tijd een belangrijke rol vervuld. Toen echter een terugslag kwam in de groentekwekerij, besloot de N.V. de gezamenlijke tuinders  het tuinbouwbedrijf op te geven, waardoor de Oostermeenthe als tuinbouw-gebied verloren ging. Dit betekende een versmalling van de tuinbouwbasis, die in latere jaren onge-twijfeld haar invloed heeft doen gelden. Het groenten kweken op de Meenthe had zeker enkele na-delen, want in het voorjaar waren de gewassen vrij spoedig aan vorst onderhevig. Ook ontstond er in de appel- en pruimenbomen veel ziekte. Mede door deze moeilijkheden werd in de twintiger ja-ren het groenten kweken op de Oostermeenthe gestaakt en werden de gronden ingezaaid voor grasland. De Meenthen hebben nog een andere betekenis gekregen door de destijds in gebruik ge-nomen ijsbaan, de z.g. „Vlakte". Deze landerijen waren toen bij de winterdag een plekje van ver-maak, want wanneer het vele Drentse water door de oude Steenwijken Aa kwam opdringen, liepen de meeste landerijen onder water en was het één grote ijsvloer. Jacob Bijkerk bezat een ijsslee en suisde toen, als de wind een beetje krachtig was, over de grote ijsvlakte. Daarnaast hebben hier ve-le Steenwijkers de eerste stappen gedaan op de gladde ijzers, want men kende nog geen ijsbaan. Op de Woldmeenthe kreeg men ander vertier, want in de begintijd van de vliegmachine werden op het zogenaamde „hoge tin" demonstraties gehouden met vliegtuigen en parachutespringers. Wat zal dit complex grond, of tenminste een deel daarvan, nog in de toekomst voor Steenwijk gaan be-tekenen? Immers een grote strook hiervan is bestemd voor industrieterrein en misschien zullen daar in de komende tijd weer velen werk vinden, zoals dat vroeger het geval was met het weiden van vee, het afgraven van veen en het kweken van groenten.

Huize Zonnehoek

Deze fraaie villa  uit 1905  en in art -nouveaustijl  heeft gestaan aan de Trompmeesterstraat en he- laas door brand verwoest op 22 september 1986 en is helaas niet weer opgebouwd. Het ontwerp was de Steenwijker architect B. Rouwkema, en met inbreng van sommige elementen door de Kam-per architect G.B. Broekema. Het werd gebouwd in opdracht  van de specerijen fabrikant B.J. Ploak

Johan van der

Kornputkazerne

De Johan van den Kornputkazerne werd begin 1940 opgeleverd en gedurende de oorlogsjaren door de Duitsers gebruikt. Direct na de oorlog werden er troepen voor de inzet in Nederlands- Indië op-geleid en vervolgens werd de kazerne gebruikt voor de opleidingen van het Regiment Infanterie Johan Willem Friso. In 1953 werd er het parate, tot het Regiment Infanterie Oranje Gelderland (RIOG) behorende 423 Bataljon Infanterie Oranje Gelderland gelegerd. Het bataljon dat de enige gebruiker van de kazerne was, werd in 1964 vooruitlopend op de invoering van de YP-408 omge- doopt in 45 Pantserinfanteriebataljon. Tevens werd het bataljon in dat zelfde jaar de traditiedrager van het RIOG, daartoe kwam het regimentsvaandel over uit Roermond. Vanaf toen werden beëdi-gingen van nieuw benoemde officieren uitgevoerd op de van den Kornputkazerne. Ook vonden er de jaarlijkse korpsdiners plaats en de reünies van de Indië- veteranen van de tot het RIOG behoren-de infanterieregimenten. 45 Painfbat werd samen met 43 en 44 Painfbat vanwege hun legering in het agrarische noorden, de Boerenbataljons genoemd. In najaar 1974 dreigde na zware regenval een mislukte aardappeloogst in Zeeland. Enkele dienstplichtigen van 45 Painfbat kwamen met het idee om militairen in te zetten om de aardappels met de hand te oogsten. Dit groeide uit tot een Landmachtbrede aktie. Vrijwel heel het bataljon reisde op vrijwillige basis af naar Zeeland om te helpen met de oogst. Ook in de jaren ’70, maar van een heel andere orde van grootte, was de inzet van het bataljon tijden de treinkapingen door Molukkers in De Punt en bij Wijster in Drenthe, en la-ter bij de bezetting door Molukkers van het Provinciehuis in Assen. Toen de Koude Oorlog in 1990 onverwacht ten einde kwam begon de Landmacht te krimpen en op grote schaal te reorganiseren. Eén van de gevolgen was dat 45 Painfbat op 29 oktober 1991 zijn traditie van het RIOG moest over-dragen om daarna de traditie van het Regiment van Heutsz voort te zetten. Ze nam die over van het mobilisabel gestelde 48 Painfbat uit Den Bosch. Omdat de kazerne waar 48 Painfbat gelegerd was afgestoten werd, kwamen behalve de traditie het van Heutszmuseum en enkele monumenten uit Den Bosch naar de van den Kornputkazerne. Lang zou dit niet duren want in 1994 werd ook 45 Painfbat opgeheven. In 2005 is het weer opgericht en momenteel op de Generaal Spoorkazerne te Ermelo gelegerd. De laatste dienstplichtigen van 45 Painfbat zwaaiden in 1994 vervroegd af en het beroepskader ging over naar het op de kazerne opgerichte 41 Schoolbataljon, dat de opleiding van de vervangers van de dienstplichtigen, de Beroeps Bepaalde Tijd (BBT'ers) ging verzorgen. Het Schoolbataljon zou in 1998 naar de JWF-kazerne in Assen verhuizen. Het Schoolbataljon was de laatste gebruiker van de Landmacht, hierna werd de kazerne gebruikt om een deel van de dan steeds groter wordende stroom asielzoekers op te vangen. Er volgde een verbouwing, omdat met zijn tienen op één kamer liggen buiten het leger niet populair is. Toen de stroom asielzoekers af-nam was de kazerne ook in deze vorm niet meer noodzakelijk en kwam leeg te staan. De naam Johan van der Kornput Johan van den Kornput werd geboren in april 1542 en stamde uit een welge-steld Breda's geslacht. Hij ging in de leer in Duisburg bij Gerard Mercator (ondermeer beroemd car-tograaf) en vervaardigde later stadsgezichten. Sinds 1574 was hij betrokken bij de opstand tegen Spanje. In 1578 was van den Kornput aktief bij de belegering van Deventer en later leidde hij de succesvolle verdediging van Steenwijk eind 1580, begin 1581. De stad zou in 1582 weer in Spaanse handen vallen. Van den Kornput hield zich dan bezig met andere zaken, zo was hij aktief bij het ont-werpen van vestingwerken en  belegeringsmiddelen. In 1592 werd onder leiding van prins Maurits Steenwijk weer terug veroverd en van den Kornput was erbij. Zijn laatste jaren sleet hij als garni-zoenscommandant van Coevorden en Emden. Hij overleed op 17-9-1611 en werd begraven in de Martinikerk te Groningen.

Poppenrijk

Van tabak naar Poppen Voor de Tweede Wereldoorlog was er alleen sprake van een bloeiende handel in tabaksartikelen. In de oorlog maakten de eigenaars, de gebroeders Henk en Arend Nolles,  duizenden filters voor siga-retten in hun fabriek. In die oorlogsjaren was er een tekort aan allerlei materiaal om de zaak draai-ende te houden. Het hoofdzakelijk vrouwelijk  personeel, zestien in totaal, had nauwelijks genoeg om handen. Er werd van alles bedacht om de mensen aan het werk te houden. Bij toeval kregen de gebroeders Nolles een lappenpopje in handen. Zo ontstond het idee om dergelijke popjes te gaan maken. Van Singer uit Leeuwarden werden zestien naaimachines geleend en de stof werd opge-kocht van noodlijdende textielfabrieken uit Drenthe. Deze stukjes stof werden omgetoverd tot keu-rige lappenpopjes, gevuld met houtwol. De ogen, neus en mond werden er op  geborduurd. De lap-penpop bleek een groot succes. Maar helaas, in de laatste oorlogsjaren ontstond er een gebrek aan diverse materialen, en de meisjes van de fabriek werden alsnog naar huis gestuurd. Henk en Arend Nolles moesten onderduiken. Papier-maché Toen de oorlog voorbij was werd besloten door te gaan op de ingeslagen weg. De firma werd voort- gezet onder de naam 't Poppenrijk. De  gebroeders Nolles zochten naar een steviger uitvoering en er werd begonnen met het gezichtje. Ze brachten de stoffen pop op de markt  met een papierma-ché maskertje. Toch waren de gebroeders Nolles niet tevreden met resultaat en werd de gehele kop van papiermaché  gemaakt. Arend Nolles, een man met een technische knobbel, ontwierp een fa- bricageproces voor een degelijke pop: volledig gemaakt van papiermaché. Arend Nolles bedacht ie- dere stap van de productie. Ook de machines werden geheel door hem ontworpen. Om de  kosten laag te houden werden de oude Tabaksplant omgebouwd tot papiermaché persen. Om de grote machines te kunnen plaatsen  zochten de gebroeders naar een geschikte ruimte en deze werd ge-vonden aan het Steenwijkerdiep. De graanmaalderij van Talen werd  het onderdak voor 't Poppen-rijk. Dit was het begin van een bijzondere en succesvolle tijd.  Wildebras  Op 25 april 1953 werd de naam " Wildebras " gedeponeerd als handelsmerk voor de talrijke poppen die bij 't Poppenrijk werden gemaakt. De papiermachépoppen werden geproduceerd in een aantal van 1500 per week, wat neer kwam op 80.000 poppen per jaar. Oost-Duitsland was het eerste land dat een stuk van de poppenmarkt afpakte dat  voorheen alleen aan Wildebras toebehoorde. In een later stadium kwamen Japan, Italië en Spanje daarbij. Zelfs Lego werd een concurrent. Polyetyleen  In 1957 introduceerde 't Poppenrijk de plastic (polyethyleen) pop op de voorjaarsbeurs in Utrecht. Deze pop met gemodelleerd haar was de topper van de beurs. In 1960 presenteerde " Wildebras " de eerste pop in polyethyleen uitvoering met ingeplant haar. Eindelijk een pop  waarvan men het haar echt kon kammen en borstelen. In 1962 begon 't Poppenrijk met het fabriceren van vinyl hoof-den met ingeplant haar  en slaapogen. De Wildebras pop profiteerde van het feit dat er al jaren vi-nylpoppen op de markt waren. `Speelgoedfabriek 't Poppenrijk 't Poppenrijk maakte niet alleen poppen, maar legde zich ook toe op construktiespeelgoed en speelgoedauto's. Deze werden van het zelfde vinyl gemaakt als de poppenkoppen. 't Poppenrijk groeide in de jaren zestig uit tot een bedrijf met meer dan 100 werknemers. Rond 1970 kwam er meer concurrentie uit het buitenland en moesten er mensen ontslagen worden. In 1973 werd 't Poppenrijk verkocht, maar zoon Harry Nolles bleef als directeur aan het roer. Op 22 december 1976 sloeg het noodlot toe: de fabriek brandde geheel af. De schade was enorm. Niet alleen een schade van 3 miljoen maar ook een eco-nomische klap voor Steenwijk. Van herbouwen kwam niets meer. Het bedrijf op zich bleef bestaan. Na 1978 werden pop- pen geÏmporteerd door Harry Nolles die de naam Wildebras kregen. Deze poppen zijn d.m.v. een sticker op de rug gemerkt, of door een Wildebraslabeltje aan de pols. De echte Wildebras, zoals te zien is in Het Stadsmuseum, wordt niet meer gemaakt. Kranten artiekel Leeuwarder courant 15 jan. 1977  Na de brand in Steenwijker industrie. Dertig poppen is alles van Nederlands laatste poppenfabriek. Het is kil in de tot showroom gepromoveerde ruimte. Dertig poppen in dozen naast elkaar, star en stijf achter strak cellofaan. Het wachten is op kinderhanden  die ze tot leven brengen. Dat wachten kan lang duren. Want de laatste Nederlandse poppenfabriek, 't Poppenrijk in Steenwijk, is vlak voor Kerstmis door brand verwoest. Die  dertig poppen is alles wat directeur Harry Nolles (32) nog heeft. De brand kwam op een erg ongelukkig moment. Nolles dacht dat hij de concurrentieslag met de DDR eindelijk had gewonnen. Hij droomde dat zijn Wildebrassen zo heten de poppen weer net zo glorieus de markt zouden veroveren als in de jaren vijftig. Want ze zitten nu thuis. Wie het ook zul-len merken zijn de thuisnaaisters. In het seizoen  dat is van augustus tot vlak voor Sinterklaas wa-ren er soms honderd in de weer om de poppen aan te kleden. Voornamelijk getrouwde vrouwen die het, meer dan in het Westen, uit noodzaak deden. Slechts een enkele huisvrouw in het ten weliswaar niet volgestopt met technisch vernuft, zodat je ze bijvoorbeeld met afstandsbediening kunt laten plassen, maar ze zijn wel gewoon lekker stevig. Met een verfomfaaide wildebras, die tij-dens een te innige omhelzing  een been is uitgedraaid, kan je nog spelen. Met een piaspop, waar-van de techniek in het ongerede is geraakt, eigenlijk niet meer. De poppenfabrikant verliest nu hoe dan ook  terrein. Zelfs als hij besluit door te gaan. Het duurt maanden voordat de speciaal voor 't Poppenrijk vervaardigde machines kunnen worden geleverd. Hetzelfde geldt voor de  kostbare ma-trijzen. "We hadden zeventig verschillende modellen. Nu heb ik alleen maar dit". Vaag wijst hij naar de dertig poppen in hun mooiste kleren. Een terneergeslagen  directeur in een achterstandsgebied. Vooral de Amerikaanse toerist zal het merken dat het gebrand heeft daar in Steenwijk. Want de Wildebrassen in hun Volendammer en  Staphorster kleding zullen niet meer voor het grijpen liggen tussen de klompen en de molens in de souvenirwinkels. Noorden deed het om iets anders omhan-den te hebben dan de sherryfles. Ook voor de 23 mensen die vast aan het bedrijf zijn verbonden, is het af wachten. Evenals hun  directeur weten ze weinig meer dan het schadebedrag: drie miljoen gulden. Verder weten ze dat nieuwbouw, hoe gunstig de verzekering ook mag uitkeren, erg duur is. "Mijn vader had in de oorlog een groothandel in tabaksartikelen. Er was toen geen tabak. Geen lu-cratieve bezigheid dus. Maar na de oorlog was Duitsland weg en was Japan weg. De  speelgoedin-dustrie was dus weg. Daarom stapte mijn vader van tabak op de poppen over. Het liep enorm. Eerst die van papiermaché, later die van kunststof. We waren de eersten in Europa die poppen van kunst-stof konden blazen. Toen kwamen de Oostduitsers opzetten. Ze maakten speelgoed tegen prijzen waartegen in het Westen niet viel op  te boksen. Het kostte mij hetzelfde alleen al aan mate-riaal". De fabriek in Steenwijk moest inkrimpen. Nolles moest op zoek naar nieuwe afzetgebieden. Die vond hij in de  Nederlandse- Antillen. Daar wilden ze graag zijn poppen hebben. Merkwaardig genoeg vooral blanke. "De vraag naar negerpoppen is trouwens toch gering. Ik had er vóór de  brand nog maar eentje in m'n collectie. Het gekke is dat ze ook in Afrika alleen blanke poppen willen hebben. En dan bedoel ik beslist niet alleen Zuid-Afrika, want daar komen sowieso geen zwarte poppen binnen, net zomin trouwens als in België tijdens de toestanden in de Kongo. De zwarte landen willen graag blanke poppen. Misschien is het  wel zo dat de meeste negers blank willen zijn, want waarom zouden de vrouwen anders hun haar ontkroesen". SLUIK HAAR De enig overgebleven negerpop onder de Wildebrassen heeft inderdaad sluik haar. "Hoe mooi ik zwart en dus ook kroeshaar mag vinden, ik moet natuurlijk wel die  poppen verkopen", zegt Nolles. Daarom ook zijn de meeste gekleed volgens de laatste mode. Nostalgische dessins, veel bloemetjes derhalve. Verkoopbaar bleek Wildebras altijd wel te zijn. Ondanks de concurrentie van de DDR en dank zij de nieuwe markt  verlieten vorig jaar zeventigduizend poppen de fabriek in Steenwijk. Een aantal dat Nolles in 1977 vast niet zal halen.

Tabaksindustrie

De Steenwijker tabaks industrie  is jammer genoeg in rook  vervlogen. Omstreeks 1890  sterk ont- wikkeld maar  rond 1950  was het bijna voorgoed voorbij. De grootste fabriek werd  De Tabaksplant  voorheen Rijkmans waar vroeger wel honderd mensen werkten. De fabriek  was in de Neerwold- straat waar bekende merken werden gemaakt Albert Cuyp en Titus en pruim tabak Nikeso. Doosje met sigaren in verpakking van de Witte Raaf. In 1922  werd een fabriek opgericht met de naam de Witte Raaf waarvan de werknemers tevens  aandeelhouder waren. De laatste plaats van de fabriek is geweest  aan de Tukseweg  op de parkeer- plaats  van woning inrichting  D. De Vries en nu Lidll staat. De fabriek heeft bestaan tot 1953  onder de naam  De Witte Raaf, er werden verschillende soorten gemaakt.

Tot Steun in de Strijd

Het Steenwijker Fanfarekorps Tot Steun in de Strijd door Jurjen Tiesnitsch Beeldmateriaal en vorm- geving: Lebbert van Dalen In het begin van de vorige eeuw waren er voor de arbeiders weinig of geen culturele verenigingen. Doordat de werknemers zich steeds meer gingen organiseren, ont-stond er langzamerhand de behoefte om ook op het gebied van zowel toneel als muziek, activitei-ten aan de dag te leggen. En zo gebeurde het dat in Steenwijk een korps van socialistische signa-tuur werd opgericht op 26 februari 1918 onder de naam Tot Steun in de Strijd, maar aangezien dit een ‘mondvol’ was, gebuikte men meestal de benaming TSIDS  of kortweg: Steun. Het was groten-deels de voortzetting van het in 1916 ter ziele gegane Steenwijker Fanfarecorps, dat door tegensla-gen als gevolg van de mobilisatie in 1914-1918, het hoofd niet boven water had kunnen houden De initiatiefnemers van de oprichting van het nieuwe korps, dat de ‘spreek’buis  moest zijn van de moderne arbeidersbeweging, waren de heren G. List, R. Scheenstra, B. Soetenhorst  en H. de Vroo- me. De oprichting van de arbeidersmuziekvereniging, waarbij ook de Steenwijker Bestuurdersbond was betrokken, is geen sinecure geweest, want waar moest het bedrag van ƒ 400,=  vandaan komen, waarmee de instrumenten van  het ontbonden Steenwijker Fanfarecorps betaald  moesten wor- den?. Toch is het uiteindelijk gelukt om een  bloeiende muziekvereniging van de grond te krijgen.  Vanaf 1925, toen het korps zich bij de Federatie van Harmonie- en Fanfarekorpsen aansloot, zijn de muzikale prestaties van het korps nauwkeurig bijgehouden. Toen – na de dirigenten B. Soetenhorst en J. Groenendaal, de heer J.C. van Kerkvoorde vanaf 1922 de dirigeerstok hanteerde, heeft het korps in de periode van 1925 tot 1937 bijna jaarlijks een concours bezocht. In 1927 behaalde Steun op het concours in Zwolle twee eerste prijzen. De voortvarende Van Kerkvoorde wist heel wat uit zijn mensen te halen. Speelde het korps in 1925 nog in de Vierde Afdeling Fanfare, in 1932 was het opgeklommen naar de Eerste Afdeling. In dat jaar behaalde het in Almelo twee eerste prijzen! Van  Kerkvoorde was een zeer geziene dirigent. Hij was de zoon van J.J. van Kerkvoorde, die in 1890 het Steenwijker Fanfarecorps had opgericht. Van Kerkvoorde jr. heeft van 1922 tot 1945 de scepter over TSIDS gezwaaid. De jaren 1940 tot 1945 ver- liepen voor het korps minder voorspoedig omdat de bezetter tijdens deze periode het culturele leven nagenoeg  monddood had gemaakt. Na de bevrijding nam de heer D. de eele de muzikale leiding van Steun  over, maar niet voor lang: kort na zin aanstelling werd hij opgevolgd  door de heer H. Posthumus. Onder zijn leiding heeft TSIDS eenmaal een concours (in Laag Soeren) bezocht, maar helaas moesten de muzikanten genoegen nemen met een teweede prijs en dat betekende: geen promotie. Dit zou tot 1960 op zich laten wachten. Tal van evenementen werden door Steun muzikaal omlijst: de opening van de weg Steenwijk-Blok-zijl op 22 april 1950, de jaarlijkse intocht van Sint Nicolaas, de ontvangst van de ouderen na hun jaarlijkse uitstapje en de Avondvierdaagse die in Steenwijk een jaarlijks hoogepunt vormde en de muzikale bijdrage aan de viering van Steenwijk 700 jaar stad in 1955 zijn enkele voorbeelden hiervan. In  de jaren vijftig werden er twee jubilea gevierd. In 1953 bestond de vereniging 35 jaar. In hotel Centraal werd een receptie gehouden, waarbij drie van de vier oprichters aanwezig waren: de heren G. List, R, Scheenstra en oud-voorzitter H.De Vroome. Ook de oud-dirigent. de heer J.C. Kerkvoorde, woonde de bijeenkomst bij. Er werden 31 bloemstukken en 26 enveloppen aangebo-den. Een grote verrassing was dat de Christelijke Muziek Vereniniging Crescendo, een zustervereni-ging waarmee niet altijd even warme contacten mee bestonden, het jubilerende muziekkorps een serenade bracht! In datzelfde jubileumjaar werd Steun  getroffen door een zware slag toen voorzit- ter Jan Jongendijk plotseling overleed. Zijn opvolger werd de heer H. Pit. Inmiddels was er een nieuwe dirigent benoemd, omdat een aantal leden ontevreden was over de muzikale prestaties. De keuze viel op de heer L. Kramer uit Leeuwarden. In de Friese hoofdstad  was hij dirigent  van de Leeuwarder Politiekapel. Een man met kennis en een krachtige dirigeerstijl, niet altijd gemakkelijk, maar recht op het doel af. Onder zijn gezagvolle leiding groeiden de prestaties zienderogen. Deelname aan het concours in Coevorden leverde 103 punten op en dat betekende een eerste prijs!. In 1957 werden verschillende secties geheel of gedeeltelijk van gloednieuwe instrumenten voor- zien. Hiervoor had de gemeente een renteloos voorschot van f 4000,= verstrekt. In datzelfde jaar ging Steun opnieuw de strijd aan tijdens een concours in Hees bij Nijmegen, maar helaas moest men zich tevreden stellen met 93 punten en daarmee was de hoop op een promotie vervlogen. In 1958 vierde men het veertigjarige jubileum. Ook nu werd de receptie in hotel Centraal gehouden. Van de oprichters was alleen nog de hoog-bejaarde heer G. List aanwezig. Piet Jongedijk, Peter Leeuwerink en Cornelis Oost die van begin af aan lid waren van de vereniging, werden bij deze ge- legenheid flink in het zonnetje gezet en Willem Bakker en Moos de Vroome vierden bij deze gele- genheid hun vijfendertigjarige lidmaatschap. Het concours in dit jubileumjaar dat in De Wijk werd gehouden, leverde wederom geen hoge ogen op. Één van de leden herinnert zich hiervan het vol- gende: “Wij waren erg gespannen. De dirigent gedecideerd en  naar ik meen ook enigszins ner- veus. Met zijn dirigeerstok  probeerde  hij  goede  prestaties af te dwingen, het wilde niet echt goed lukken. Wie het was of wie weer hij niet goed meer, maar opeens merkte ik dat er iets heel erg fout ging. Kramer keek vel en uite bittere klanken. Ook deze ogenschijnelijke zo rustige man, liet zich in het vuur van de strijd even flink gaan. ‘t Was ook maar een mens. Streng, resoluut ,maar ook emon- tioneel. “een promotie dus. In 1959 werd de heer Kramer vervangen door de heer J. Hogerheyde uit Meppel en overleed de heer Timmerman, de leider van de drumband tengevolge van een tragisch ongeval. De heer Brinkman, instructeur van de Militaire Drumband van de Johan van den Kornput-kazerne, volgde hem op. Hogerheyde begon enthousiast en bouwde succesvol voort op de funda-menten van zijn voorganger, de heer Kramer. Hierdoor maakte hij goede sier tijdens het concours in Haarlo. Kramer had gezaaid en Hogerheyde oogstte. Steun behaalde met 101 punten de eerste prijs en bereikte met dit resultaat de Afdeling Uitmuntendheid. Grote vreugde alom In 1959 werd de heer Kramer vervangen door de heer J. Hogerheyde uit Meppel en overleed de heer Timmer-man, de leider van de drumband tengevolge van een tragisch ongeval. De heer Brinkman, instruc-teur van de Militaire Drumband van de Johan van den Kornputkazerne, volgde hem op. Hogerheyde begon enthousiast en bouwde succesvol voort op de fundamenten van zijn voorganger, de heer Kramer. Hierdoor maakte hij goede sier tijdens het concours in Haarlo. Kramer had gezaaid en Ho-gerheyde oogstte. Steun behaalde met 101 punten de eerste prijs en bereikte met dit resultaat de Afdeling Uitmuntendheid. Grote vreugde alom. In 1961 brak er voor de Steenwijker korpsen een groot gebeuren aan: op 25 april van dat jaar wer- den nieuwe uniformen aan de bevolking van de stad Steenwijk gepresenteerd. Voor deze gelegen-heid had Steun een ambitieuze show ingestudeerd en met succes uitgevoerd. Deze werd dan ook enthousiast door het publiek begroet. Het gevolg was dat het korps werd uitgenodigd in Blokzijl en Nijeveen om daar de show opnieuw te presenteren. Drumband en fanfare maakten hierdoor meer bij elkaar betrokken. In deze periode maakte Steun een bloeitijd door. Maar hoe vreemd kan het gaan - niet lang daarna trad er een kentering op. De jaarlijkse uitvoering in het Roxy theater trok in de loop van de jaren zestig steeds minder bezoekers. De repetities werden steeds slechter bezocht, ook de dirigent was vaak afwezig en de instructeur van de drumband vertrok. In 1966 was de animo tot een nulpunt gedaald. “Een droevig verschijnsel, “met ons vijftigjarig bestaan in zicht” zo vermeld-de secretaris Peter Leeuwerink - de nog steeds betrokken muzikant en werker van het eerste uur – in zijn notulenboek. “Laten we echter de moed niet laten zakken en eendrachtig samenwerken, ge-regeld de repetities bezoeken, misschien schijnt dan de zon ook nog eens weer voor TSIDS”. Maar de zon brak niet door. Het bleef schemerig en later zou de duisternis invallen. In 1967 maakte het korps een absoluut dieptepunt door. Tijdens de Avondvierdaagse was Steun niet meer in staat vol- doende Mensen op de been te brengen om aan dit traditionele gebeuren een bijdrage te leveren. Zou het korps zijn vijftigjarig jubileum nog meemaken? Velen twijfelden hieraan. Maar toen trad op initiatief van de heer Jan Bruinewoud een commissie naar voren die het tij trachtten te keren. Hij en een drietal andere, toen nog jeugdige mensen, te weten Piet Jongedijk jr., Jan de Vries en Henk Ym-ker,  probeerden het korps nieuw leven in te blazen. Er werd een datum vastgesteld voor een uit-voering en receptie ter gelegenheid van het vijftigjarige bestaan van TSIDS. Het Vrije Volk melde naar aanleiding van de  jubileum bijeenkomst in het Roxy theater: “Steenwijks Fanfarekorps Tot Steun in de Strijd is de inzinking weer te boven; het jubilerende korps speelt weer als vanouds.” Henk Ymker, de nieuwe voorzitter, kon zich verheugen in een grote belangstelling voor het jarige korps

Touwenbanen aan de

grachten

Steenwiek kende  in de 19 eeuw zes lijnbanen: van de touwslager Langman (overkant Noorwal), Middelwijk overkant Molenwal) Panhuis (wal Goeman Borgesiusstraat), Oost (op de Steenwijker Kamp), Visscher (tot 1953: Hogewal) en Van Dalen (tot 1868: Molenwal, tot 1966: overkant westzijde Looijersgracht). In 1966 betrok men een nieuwe touwslagerij aan de produktieweg. Deze werd in 1985 opgeheven. De touwslager deed zijn werk in de open lucht, overdekt of in een tentachtig geheel, op een touw- slagerij of lijnbaan: een soms wel 300 meter lange, smalle strook grond waarboven vele door een spinner aangeleverde garens, werden uitgeschoren (uitgelopen). Het touw kwam terecht in een "kuil", een nog steeds bestaande lengtemaat voor touw. Aan een van de uiteindes van de lijnbaan werden de garens in groepjes aan de haken van een wiel of slagmechanisme (slinger) bevestigd, aan iedere haak een groepje garens. Daar stond ook een teer- en drooghuis. Aan de andere zijde van de lijnbaan werden de garens allemaal aan de ene haak, de lammeroen, van de lopende bok vast gemaakt. Deze lopende bok was een karretje met twee wielen en een over de grond slepend uiteinde waarop gewichten konden worden gezet, om zodoende de kracht waarmee de garens in elkaar werden gedraaid te kunnen regelen. Zo kon de kracht waarmee de garens tot strengen wor-den gedraaid worden bepaald en daarmee de uiteindelijke trekkracht en de stijfheid van het touw. Ook bevond zich aan dit uiteinde van de lijnbaan de klos: een taps toelopend en voor iedere groep-je garens ingekerfd stuk hout dat hier de garens uit elkaar moest houden. De term touwslaan wordt verklaard doordat er tijdens het proces gebruik werd gemaakt van haken en als een haak in de rondte draait zegt men dat de haak in de rondte slaat. De ronddraaiende haken brengen dus slagen in de groepjes garens aan. Het wiel, de slinger werd vervolgens, meestal door kinderen, zoals van Michiel de Ruyter bekend is, rondgedraaid zodat door het ronddraaien van de haken (torsie) uit ieder groepje garens een streng (ineen gedraaide garens) ontstond. Vervolgens werden deze strengen met behulp van een houten klos onder voortdurend blijven draaien aan het wiel ook weer in elkaar gedraaid tot een touw, het zogenaamde wantslag touwwerk. Deze klos zorg-de in dit stadium ervoor dat de strengen tijdens het draaien maar op een plek om elkaar heen wer-den gedraaid (alleen achter de klos aan de kant van de losse bok) en dat de strengen heel regelma-tig in elkaar werden gedraaid. Tevens kon door met de klos mee te lopen en deze te-gen te houden of juist mee te duwen richting slagmechanisme de lengte van de slag van het touwwerk bepaald worden: de lengte waarover de strengen van een touw een volle slag om elkaar heen worden ge-draaid. Hoe korter deze slag hoe stijver het touwwerk. Om verschillende touw diktes te produceren werd het aantal garens per haak vermeerderd. Met enkele van zulke wantslagtouwen kon vervol-gens het proces worden herhaald, zodat het mogelijk was om dikke flexibele scheeptrossen te ma-ken, het zogenaamde kabelslag touwwerk. Touw werd volop gebruikt voor de tuigage van zeilsche-pen. Touwslagerijen kwam men dan ook vooral tegen in havensteden. Veel van deze steden hebben nog steeds straten waarvan de naam aan deze voormalige functie herinnert, bijvoorbeeld de Lijn- baan in Rotterdam, de Lijnbaan in Steenwijk

Zilversmeden

Fa. Bijkamp & Co  de laatste zilversmid . In het pand Markt 2 te Steenwijk was sinds 1835 de zilver- smidswinkel van Bijkamp gevestigd. Op 14 februari van dat jaar liet Meine Bijkamp zich te Zwolle bij het Waardeborgkantoor inschrijven als goud- en zilversmid. Tot die tijd had hij als knecht gewerkt bij zijn neef Gerard Archibald Stuart, even- eens zilversmid te Steenwijk. Bij het overlijden van Meine Bijkamp in 1898, op negenentachtigjarige leeftijd, werd het bedrijf voortgezet door zijn zoon Jan Meine Bijkamp, die echter al in 1903 kinderloos overleed. Twee zonen van zijn zuster Jentje Bijkamp uit haar huwelijk met Haije Visser, zetten het bedrijf voort onder de naam Fa. M. Bijkamp. In 1909 trad Meinard uit de firma. Jan Hendrik Willem Visser ( 1880 - 1950 ) heeft daarna kans gezien het, overigens al voor die tijd, goed renderende bedrijf uit te bouwen. In 1920 ging Visser voor wat betreft de aan de Weemstraat gevestigde fabriek/werkplaats, opnieuw een vennootschap aan: deze keer met zijn zwager Hendrik Roelof Bijkamp. Het bedrijf kreeg daarbij de naam Fa. Bijkamp & Co. De winkel aan de Markt werd in 1957 gesloten. De fabriek aan de Weemstraat bleef echter produ-ceren tot in 1974. Talloze voorwerpen zoals mandjes, asbakjes, briefopeners, suikertangen, beurs- en tasbeugels alsmede een onwaarschijnlijk grote hoeveelheid schepwerk zoals theelepels en taart- vorken hebben de werk- plaats verlaten. Zilversmeden in Steenwijk 1. Luetgen Goltsmitz Overleden voor 1560. 2. Christiaan Doore (of Doorn) 3. Johan Arends 4. Harmen Jansz. 5. Taeckele Mensch 6. Gerbrant Boncke. 7. Jannes Hoogland  8. Laurens Otterbos 9. Nicolaas Adolph Benthem 10. Gerben Piers Vogelzang    11. Jacobus Verschuyl 12. A.L. Reiners 13. Johan Christiaan Frederik Proger. 14. Hendrik Prins I   15. Albert Stuart I     Zilversmid 10-11-1765-1842   16. Dirk Dikkerboom     17.Gerard Archibald Stuart     gedoopt op 29-04- 1716, overleden op 20-12-1785 op 69-jarige leeftijd. Gehuwd voor de kerk op 40-jarige leeftijd op 04-07- 1756 te Steenwijk met Aaltjen BLOEMEN, 26 jaar oud, geboren op 12-01-1730, overleden op 30-01- 1777 18. Hendrik Prins II 19. Nicolaas Alexander Stuart   zilversmid, geboren op 18-10-1801 te Steenwijk, overleden op 20-09- 1832 te Steenwijk op 30-jarige leeftijd. 20. Meinardus Bijkamp ,Meine Meinen Geboren 16- 10-1808 overleden 1898 21. Jan Meine Bijkamp Geboren 21-3-1846 overleden 18-08-1903 22. Albert Stuart II    zilversmid, geboren op 09-03- 1830 te Steenwijk, overleden op 14-09-1880 te Assen op 50-jarige leeftijd. 23. Johannes Steltman  24. A. Beertje Rijkmans, weduwe Johannes Steltman  25. Hendrik Meinardus van Sleen 26. Jan Meine Bijkamp  Geboren 21 maart 1846 overleden  18 augustus 1903. 27. Andries Rienks Steltman. Geboren 1830 overeleden 1866. 28. Lubbertus Steltman Geboren te Steenwijk in 1844  en overleden 11 juli 1910