Stenen zoeker

De veld- en keistenen hebben honderden jaren voor de bewoners een bron

van inkomsten gevormd. Zij werden voornamelijk gebruikt bij de aanleg van

wegen en bij de oorlogsvoering in vroeger jaren. Er  wordt gesproken over de

vrouwen, die bij de bestorming van Steenwijk  met stenen hun mannen te

hulp snelden en de vijand verdreven. Een aannemelijker verklaring voor de

naam Steenwijk is zeer zeker

bron van de rijke steenvoorraad, die men

vroeger in deze gebieden aantrof. Deze stenen hebben met alleen eeuwen

geleden, maar tot zelfs bij de aanvang van de twintigste eeuw een rol

gespeeld in het leven

van de bevolking van Noordwest Overijssel, want

zelfs in de jaren rand 1900 kwamen er nog mannen voor, die van beroep

,steenpunter" waren.

Op de hoogste gebieden en vooral op de Steenwijker Kamp wer

den grote voorraden veld- en keistenen aangetroffen. Vele van deze

stenen

waren ge-schikt voor de bestrating van wegen en men trof er ook aan, die zo groot van omvang waren, dat de hunebedbouwers

jaloers hadden

kunnen zijn. In de ijstijd zijn deze stenen naar onze

gebieden gespoeld en meestal tegen een heuvelrug trof men de grootste hoeveelheden

aan. Een voorbeeld van bestrating met deze keien is nu nog de Paardenmarkt.

Het delven van deze stenen heeft aan de arbeidende bevolking

van Steenwijk gedurende vele wintermaanden werk verschaft. In verschillende gesprekken met oude stad- en streekbewoners wordt hier nog

uit eigen verklaring over verteld. In het laatst van de negentiende eeuw trok men er op uit met de schop en een puntijzer om met het

zogenaamde ,,steenpunten” een loon te verdienen. Zo’n puntijzer bestond uit een ijzeren stang van twee tot drie el lengte.

Van boven was deze stang voorzien van een dubbel handvat en van onderen was een stalen punt, waarmee men in de grond boorde, om naar

stenen te zoeken. Trof men een behoorlijke stenenlaag aan, dan werd de bovengrond verwijderd en werden de stenen blootgelegd en

uitgegraven. De zware exemplaren liet men door middel van  kruit springen. Jaren geleden beschikte men niet over bakstenen; daarom werden

de kleine veldstenen gebruikt voor het verharden van wegen en de grotere soorten deden dienst als fundering bij de bouw van huizen.

Ook werden die grotere stenen naar Blokzijl vervoerd, waar ze bijzonder goed dienst konden doen bij de, versterking van de zeeweringen. Er

zijn in Steenwijks omgeving nog vele namen, die aan dit steenzoeken  herinneren. Bijvoorbeeld de Steenakkers, de Steenwal (aan het

Dolderkanaal) en de weg naar Tuk wordt ook nog wel Steendijk genoemd. Het zijn allemaal namen, die wijzen op de, steenrijkdom  van dit

gebied. Met zekerheid is het echter niet te zeggen.

Ook het stadsarchief kan hieromtrent geen uitkomst geven, want dit dateert namelijk van omstreeks 1560. De namen zullen dus voor die tijd  al

gekozen moeten zijn. Bij een grote brand in 1523 zijn alle schriftelijke bescheiden vernietigd.

Het steenpunten heeft men lange tijd uitgeoefend. Omstreeks het laatst van de negentiende eeuw woonde er aan de Woldpoort in Steenwijk

een zekere Hetebrij, die nog handelde in veldkeien. De handelaar kocht grote massa's stee

p

 op, die op de steenwal aan de Dolder een plaats

vonden. Hier werden de stenen fijn geklopt en later verscheept naar elders voor wegenaanleg.

Het stenen zoeken of beter gezegd stenen punten is lange tijd een bron van inkomen geweest voor de bevolking — men kreeg als beloning

tien cent per mand vol- en zelfs tot de aanvang van  de twintigste eeuw waren er mensen die met deze stenenhandel vooral in de

winterperiode hun brood verdienden.