Een van Steenwijks grootste voor vechters van het Steenwijker ialect

en zanger over zijn Steenwiek was Gerrard Buisman.

Hij  was onze  trobadoer van  het Steenwieker dialect.

Éen van de bekendste  liedjes die hij vertolkte was wel het lied de

Steenwiekertoorn.

 Steenwieker toorn

 Refrein:

 Steenwieker toorn, de mist van de kaampe,

In 't ochtendgloorn, de sunne as 'n laampe;

Op de Steenwieker toorn.

`k Heb aovral ezét'n, k'eb zo veul 'ereisd,

Och ie mos'n ies weet'n woar 'k al bier hebbe 'helst,

Kan aovral an maark'n da'k hier bin geboorn,

want dan mis ik de grote kaarke en de Steenwieker toom.

De Onnechiesstroate, de maankt, 't diep,

A'k gien Steenwieks meer proate krieg ik zeins de griep;

Gien plaese op eerde kan mij meer bekoorn,

Want ik kenne de weerde van de Steenwieker toorn.

Voor precies 400 jaren.

Wijze: Steenwijk, dat is een oord!

Voor precies 400 jaren

Was er angst in onze stad

Voor de Spaanse legerscharen

0, wat bange tijd was dat!

Kornput die dapp're man,

Trok op Steenwijk an.

Nauw'lijks had men iets vernomen

Van Johan z'n heldenstoet,

Of bij 't volk was weergekomen

d' Oude trouw en d' oude moed

Steenwijk bood tegenstand,

Ondanks moord en brand.

`t Volk van Steenwijk, onbezweken,

Toonde moed en trouw en kracht.

Toen de vijand was geweken

Zong men fier uit alle macht;

Steenwijk dat is een oord

Dat mijn hart bekoort.

Mijn Steenwijk.

Toen Kornput kwam

Wijze: De Gilde viert.

Toen Kornput kwam, toen werd de Spanjaard tam.

De Spaansgezindheid sloeg er lam,

Men trok weer naar de wallen;

Men kreeg ontzag voor zijn beleid,

Zijn trouw en grote dapperheid

En deed de vijand vallen.

De troepen dreef men op de vlucht,

Er klonk geen klacht meer en geen zucht.

Er werd geen onheil meer geducht;

Steenwijk vrij, Steenwijk blij-schoon de lucht.

Van 't Spaanse juk, tot aller ongeluk

Gevoelde men de zware druk

In Oost, West, Zuid en Noorden

Voor Steenwijk klonk een wreed bevel,

Men zit er lelijk in de knel:

`t Was schieten, branden, moorden.

Maar Kornput stond voor vrijheid pal,

Versterkte poort en Steenwijks wal

En bracht de Spanjaard daar ten val.

Steenwijk vrij! klonk het blij, overal!

De vreugde klinkt, de vreugde blinkt!

Wie voelt niet dat uit 't harte dringt

Een stroom van blijde klanken!

Die suf nu maar wat henenzit

En zich niet voelt spontaan en fit

Dat zijn maar 'dorre ranken'.

Wij allen bij elkaar geschaard.

Het voetvolk en de man te paard,

Het wordt ons nu geopenbaard:

Steenwijks roem, Steenwijks bloem bleef gespaard!

In Holland denkt men vaak Van 't Noorden rare dingen, Een reden tot vermaak Voor vele Noordelingen. Maar komt een vreemdeling in Steenwijk ooit terecht, Dan weet ik wel met zekerheid Dat hij al heel gauw zegt: Refrein: Steenwijk, o Steenwijk wat maak je mij blij, Binnen je wallen voel ik mij weer vrij. Ik kende ie niet, maar nu weet ik dat jij `t Mooiste in mijn leven betekent voor mij. Want Steenwijk is een oord Waardoor op deze aard, Mijn hart wordt bekoord, Hoeveel is mij dat waard. De meisjes die ik er zag Daar ben ik van gaan houwen, Als er eentje is die mij ook mag Dan ga ik daar mee trouwen. Refrein: Wanneer ik me werkens-zat Zal laten pensioneren, Dan weet ik heel erg zeker dat, Dat ik hier terug zal keren. `t gedempte diep met Osse's hotel, Je Ramswoerthe en ie wallen, Zijn dan voor mij het meest in tel En 't zal m' er best bevallen.
Woarom mag ik niet mit heur noar Sevene goan. Woarom mag ik niet mit heur noar Sevene goan. Woarom mag ik niet mit heur noar Sevene goan. Woarom mag ik niet mit heur an de deure stoan. Woarom mag ik niet mit heur, mit heur haantien in mien haand. Kieken noar de enties an de waeterkaant. Woarom mag ik niet mit heur noar de sterens zien. En een smokkien geven of een zoegertien. Woarom mag ik niet mit heur, ja woarom mag ik niet mit heur. `k Weet het niet, moar heur moe is 't er niet veur.
Wij leven blij. Wijze: Wij leven blij Wij leven blij op 't feestgetij, Dat Steenwijk heden viert. Het langverbeide vrijheidsfeest Vervult met dankbaarheid den geest Van ieder die geen blijdschap vreest, Waar d' oude driekleur zwiert. Wat 't voorgeslacht zo fier volbracht Na langen bangen strijd Men moed, beleid en trouw en kracht, Zij door het late nageslacht Met eerbied en ontzag herdacht Daaraan ons lied gewijd! Wij leven blij, wij leven vrij En werken voor ons brood, Wij zijn verlost van slavernij En zetten als verloopt 't getij De bakens aan een and're zij, Dat maakt ons sterk en groot!

Bij Doavid in d' Allee.

De Olde Geite schraapt zien keel

en spreekt zijn makkers aan:

We zullen aanstonds met het Korps

Naar de Allee toe gaan;

We maken daar een nummertje,

Een nummertje of twee,

Bij Doavid, bij Doavid

Bij Doavid in d' Allee.

De Bombardon de zoon van Krist,

De Fluit de Klarinet,

Die hadden voor Kerkvoorde 't wist,

Zich in postuur gezet.

En daav'rend klonk hun blij gejuich,

Het donderde als de zee,

Wij goan zo geern noar Doavid,

Noar Doavid in d' Allee.

Jan Bergman kik verwonderd rond,

Mist iedere partituur,

de directeur die dit bemerkt,

Kiek al onmid'lijk zuur.

Hij zegt: 'Als dit nog eens gebeurt,

Dan ga ie nooit meer mee',

Noar Doavid, noar Doavid,

Noar Doavid in d' Allee.

Hij zegt: 'Mien veurroad pakpapier

Was honlangs uuteput,

An Joden sliet ik zoaterdag

Spekbookings, dardalf mud,

Ik pakte ze meziekpapier

Do mi, do sol, do ré,

Moar ik wil zo geern naar Doavid,

Noar Doavid, in d' Allee.'

Zo komt men eindelijk in d' Allee,

Applaus oh dierbr'e buit.

`t Is pauzen, schroef de toeters los

En laat de spuug d'r uit.

De potpourri van Hup Cato

Speenhof en Hasselé,

Eist nieuwe kracht bij Doavid,

Bij Doavid, in d' Allee.

En in de baarm en teugen 't hek,

Was men zeer kriebelig.

De mégen neopen moar: Skei out,

As Karikveurde 't zig.

Moar in de tentles zat geen een,

Vanwege de hartree,

Bij Doavid, bij Doavid,

Bij Doavid in d' Allee.

Steenwijk, alleraardigst stadje

Wijze: Wolga lied

Steenwijk, alleraardigst stadje,

Daar waar ik geboren ben,

Waar 'k een ieder weet te wonen

En ook alle mensen ken;

Men uw oude trotse toren

Die men reeds van verre ziet,

Stadje uit mijn kinderjaren,

U vergeten kan ik niet.

Steenwijk met z'n mooie toren.

Wijze: Waar de blanke top der duinen.

Steenwijk met z'n mooie toren,

Met z'n wallen en z'n gracht,

Met z'n kamp, waarop het koren

Op de wand'ling tegenlacht.

In de Alleé of in het Slingerbos

Bult en Woldberg, met bos en hei en mos.

Steenwijk, kleine dapp're stad,

`k Heb U altijd lief gehad.

Door vooruitgang van de tijden,

Door beschaving van de geest,

Mogen wij ons thans verblijden

In dit schoon historisch feest.

Dat ons getuigt van vrijheid en van recht,

Niet meer door overmacht geknoeid, geknecht.

Vrijheid sier' ons volksbestaan,

Met de oorlog is 't gedaan!

Steenwijks burgers laat U gelden,

Bij recht en rechtvaardigheid,

Laat de faám van U steeds melden,

Dat gij kwaad en onrecht mijdt.

Blijft dan maar trots op d' oude vestingstad

Prijst gracht en toren, markt en 't 'lange-pad'

Steenwijks Dolder en 't Steenwijken Diep,

Wat men al had of later nog schiep.

Op uw mooie oude wallen

Heb ik eens als kind gespeeld,

In het spel met al mijn vriendjes

Lief en leed steeds saam gedeeld.

Met uw oude diepe grachten

Waar de vreemd'ling van geniet,

Steenwijk schoon en zind'lijk stadje,

U vergeten doe ik niet.

Al uw oude poorten-namen

Doen nog denken aan 't verleen,

Met uw marktplein in het midden,

Mooie huizen er omheen.

Met uw mooie Park Ramswoerthe,

Waar men herten grazen ziet,

Steenwijk, met uw grijs verleden,

U vergeten zal ik niet.

Waar in lang vervlogen tijden

Van den Kornput redding bracht,

Toen de Spaanse krijgers lagen

Voor uw wallen en uw gracht,

Waar de sleutel van het Noorden,

Eens zijn rechten gelden liet,

Daar is 't waar ik ben geboren,

Steenwijk, ik vergeet U niet.

Oude Steenwijker liedjes