Oorlogsjaren 1940-1945

Na het vertrek van de Fransen was ons land niet meer in vreemde handen 

geweest. Op 10 mei  1940 overschreden de Duitse troepen de Nederlandse

grens . Diezelfde dag kwamen twee Duitse  wiel- rijders naar Steenwijk om

de politie en de luchtmachtdienst te ontwapenen en daarmee de  macht in

de stad over te nemen. Pas op de volgende dag trok een Duitse leger troep

door Steenwijk  op weg naar Friesland. Aanvankelijk had men weinig hinder

van de bezetter maar allengs werd dit  erger. In de zomer van 1941 werden

de persoonsbewijzen ingevoerd en dat betekende dat alle  burgers opnieuw

werden geregistreerd. in juni 1942 moesten ook alle joodse bedrijven zich 

nogmaals laten inschrijven en tevens dienden alle joden de davidster  te

dragen . In het najaar  begon men de eerste razzia's. Er werden verschillende

invallen gedaan en op 2 september werden de joodse burgers opgepakt en 

via Westerbork naar Auschwitz overgebracht waar zij op 22 november van

dat jaar stierven.  Anderen werden in een kamp bij Staphorst ondergebracht

om daar ter werk gesteld te worden Een  aantal joden dook onder of pro-

beerde uit het kamp te vluchten wat sommige lukten. Wie daar geen  kans

zag werd op transport gesteld naar de concentratie kampen waar de mees-

ten de dood vonden. Ook de Steenwijker burgers moesten zich in september

1944 melden om mee te helpen aan de  bouw van het vliegveld in Havelte of

werden ingezet bij de arbeidsdienst op De Eese. In september  1941 werden

de gemeenteraden afgezet.  Toen Adolf Hitler op 30 januari 1933 in Duitsland

de macht overnam had hij zijn gedachten over de  joden en het jodendom al

kenbaar gemaakt in zijn geruchtmakende boek Mein Kampf. Al vrij snel na 

30 januari 1933 volgden in Duitsland de maatregelen tegen de joden elkaar

op Een tweetal  dieptepunten in1935 en 1938 markeren de positie van de joden in Duitsland. Zo werden op 14 mei  1935 de Neurenberger

rassenwetten aangenomen die huwelijken tussen joden en niet-joden  verboden. Op 9 november 1938 volgde de Reichskristallnacht waarin in

geheel Duitsland tientallen  joodse winkels synagogen en andere joodse eigendommen werden geplunderd en en in de brand  gestoken. Vele

Duitse joden vluchtten nadat zij eerst nog beschuldigd waren van het feit de  Kristallnacht zelf veroorzaakt te hebben naar het buitenland onder

meer naar Nederland. Laten wij  echter niet denken dat Nederland zijn zo hooggeprezen opvattingen van tolerantie in die jaren  demonstreerde

tegenover de joden die hier asiel vroegen. De binnenkomst van joden uit Duitsland  werd door allerlei beperkende maatregelen tegengewerkt.

Zij die bijvoorbeeld niet in hun eigen  onderhoud konden voorzien werden geweerd of meteen bij de grens teruggestuurd. Velen sprongen 

tussen de Duitse grens en de stations in het Oosten van het land uit rijdende treinen en dat waren  bepaald niet allemaal pogingen tot zelf-

moord. Zoals bekend zal zijn kende ook Nederland diversen  vormen van anti-semitisme. Er was geen land waar de joden en de niet joden

meer waren  geassimileerd maar anti-semitisme was er . Een reeks van uitdrukkingen in de Nederlandse taal  spreekt wat dat betreft

boekdelen. Een groep stak dat anti-semitisme niet onder stoelen of banken .  Het was de NSB die in diverse steden uiting gaf aan die gevoelens

door in allerlei vormen het leven  van de joden te vergallen . Het stond duidelijk te lezen in de verschillende NSB organen zoals De  Misthoorn

en de Doodsklok met als misselijk makende ondertitel volksblad bij opruiming van het  jodendom . Het laatste blad deed sterk denken aan Der

Sturmer van de verknipte fanaticus Julius  Streicher. Ronduit beschamend was het Plan-Mussert waarin werd voorgesteld een joods Nationaal 

Tehuis op te richten in Brits Guyana in Frans Guyana of in Suriname. Dit plan stond ook bekend als  het Guyanaplan of Cayenneplan. Alle joodse

vluchtelingen die Nederland binnenkwamen zouden  daar naar toe moeten gaan . Naar Musserts mening zouden de landen van West Europa op die  manier verlost kunnen worden van het joodse vluchtelingenprobleem.

Vordering klokken.

Rond 1942 verschenen er  donkere wolken  aan de  klokkenhemel. De Duitse  bezetters lieten weten dat de  vordering van de  torenklokken

vaste vormen  ging aannemen. En in  november gaf de rustings  inspektion de opdracht dat  het vorderen van de klokken  moest worden

overgaan.  Alle klokken gingen naar een  centrale opslag plaats. Maar  de klokken met de letter M  met witte verf niet want de M  sloeg op

monument.  Steenwijk werd uitverkoren  tot opslagplaats van alle  klokken van Kuinre,  Blankenham, Oldemarkt,  Vollenhove, Blokzijl,  Giet-

hoorn, Steenwijk,  Steenwijkerwold en  Wanneperveen. Na de  oorlog werden de klokken  opgespoord en ze waren  niet om gesmolten, en  

werden terug gebracht naar  Steenwijk om weer terug te  worden gezet in de torens  waar ze weg kwamen.

Verzet in Steenwijk

En toen was het oorlog daarmee was behalve een handjevol pro-Duitse lieden en NSB'ers. niemand  gelukkig men was zeker voor 80% anti-

Duits en over het algemeen voelde de Nederlandse  bevolking erg weinig voor om met de bezetter samen te werken. Nou ja sommigen

konden aan de  bezetter iets verdienen . Zoals bepaalde zakenlieden en arbeiders die op vrijwillige basis in  Duitsland gingen werken. In de

zomer van 1944 werd de Steenwijker verzetsgroep getipt over een  transport door de Nederlandse posterrijen van onder andere distributiebon-

kaarten van Steenwijk  naar Frederingsoord Behalve de gemeente moesten ook de onderduikers in en rond Steenwijk  nieuwe bonkaarten

hebben en daarom werd er een plan gemaakt om de postauto te overvallen . Er  werd gekozen voor een plek aan de weg van Steenwijk naar

eesveen bij de afslag naar de Bult . De  auto zou daar om ongeveer 06.00 uur moeten passeren . Op dat tijdstip zou er verder weinig of  geen

verkeer zijn. De vraag was alleen wat de beste manier zou zijn om de chauffeur tot stoppen te  dwingen. Want het was bekend dat deze men-

sen van de Duitse overheid de opdracht hadden niet  te stoppen voor welk stopteken  of personen  dan ook . Men zag af van dit plan er werd

een ander plan gemaakt.

Postkantoor overval.

Woensdag 26 juli 1944 was  deze overval geplend. Er  waren al personen in het  postkan-toor en  de heer  Mulder kwam om kwart voor 5  bij de

dienstingang aan de  achterzijde hij drukte op de  bel het zelfde moment werd  hij omsingeld door 4 mensen,  2 met een pistool, hij moest  zich

normaal melden als er  werd gevraagd wie er was.  De heer Koning die daar ook  werkte vroeg toen wie er was,  de heer Mulder zei: "nummer  3"

de deur ging open, meteen  sprong een overvaller naar  voren en deed Koning het  pistool onder neus hij schrok,  hij kreeg een por in z'n zij. 

Mulder en Koning liepen voor  de overvallers naar binnen. 2  bestellers waren bezig met  sorteren 1 draaide om deed  direct z'n handen omhoog

de  andere besteller ging door  met sorteren en had niks in  de gaten, hij werd  aangesproken hij draaide  om  en stak zijn handen omhoog.  De

heer Mulder kreeg de  opdracht om de kluis waar de  bonkaarten  in zaten te  openen en alle pakketten  buiten de kluis te zetten, de 

overvallers pakten in totaal  10.000 bonkaarten voor  volwassenen.

Luchtgevecht boven Steenwijk.

Verder beleefde Steenwijk  op 15 augustus 1944  tijdens de bezetting een 

groot luchtgevecht tussen  geallieerde jachtvliegtuigen  en bommen-

werpers en  Duitse jagers. De marconist van een van deze vligtuigen, Fred 

Gerritz heeft destijds zijn verhaal veteld over dit luchtgevcht  en alles wat

daarmee samenhing. En we gaan dan ook even terug naar de ochtend van

15 aug. 1944. Witte strepen tekenden zich af tegen de azuur-blauwe lucht

boven de Noordwesthoek.Het geronk der bommenwerpers was ook op die

ochtend niet van de lucht. Tegen half elf onstond een luchtgevecht dat

meer dan een half uur duurde. Negen vliegtuigen kwamen met donderend geweld naar beneden en vielen op diverse plaatsen neer, zoals

in Nijensleek, in de Steenwijker Laagveen ontginning, in de Giethoornse polder, achter Gelderingen en bij Wetering. Vier bommenwerpers en

vijf jagers stortten op die ochtend uit het luchtruim. In een van deze neergeschoten vliegtuigen, die met hun boordwapens in verscheidene buurtschappen woningen hadden doorboord, zat Fred Gerritz, een Amerikaanse marconist uit Tonowanda.

Hij was dertig jaar en marconist eerste klasse en was ruim twintig maal met een bommenwerper naar Duitsland gevlogen om daar vijandelijke

doelen te bombarde-ren. De 23ste vlucht werd hem echter noodlottig. De opdracht van de 466ste bombardeergroep luidde op 15 augustus 1944

het vliegveld in Vechte in Noordoost-Duitsland te vernie-len. Het totale aantal vliegtuigen. dat aan de aanval deelnam, bedroeg duizend stuks. In

het holst van de nacht stegen de vliegtuigen op van het Engelse vliegveld Norwalk. Drie uur later naderden zij hun doel, maar de Duitse

jachtvliegtuigen hadden hen toen al ,begroet". Op het aangegeven punt werden de bommen gelost en de toestellen begonnen weer aan de

terugweg. Het was inmiddels Licht geworden en na Lange tijd te hebben gevlogen. riep plotseling de eerste piloot: „Let op, Duitse jagers doers

een aanval." Meer dan veertig kogels doorboorden de bommenwerper en het duurde niet lang of het vliegtuig vloog in de lucht in brand.

Marconist Gerritz hoorde temidden van het vele lawaai nog de laatste order: ,Tracht toestel te verlaten". Al kruipend naar het springgat. zag hij zijn

kameraden al uit het ruim springers en enkele ogenblikken later hing ook hij aan een parachute in het luchtruim. Hij had precies op tijd het

toestel verlaten, want direct daarna explodeerde het in de lucht. Fred trok niet direct aan het koord van zijn parachute; hij liet zich eerst

ongeveer 1400 voet vallen, want men had in deze oorlog de ervaring opgedaan, dat hoe Langer men in de lucht zweefde, hoe eerder de

vliegenier kans liep doodgeschoten te worden door de vijandelijke jagers en ook Fred flitste de herinnering aan doodgeschoten parachutisten

door de gedachten. Hij besloot zijn val te bespoedigen door de zijlijnen vast te trekkern en zo meer lucht langs het valscherm te later glijden. Hij

had geluk. Geallieerde jacht-vliegtuigen cirkelden rond de vliegenier en spoedig plofte hij veer in een van de korenvelden van de Steenwijker

Laagveenontginning aan de Eesveenseweg. Even nadat hij aan de grond was gekomen. viel ook zijn vliegtuig in stukken op de aarde veer. Met

zijn hander groef hij een gat in de veenachtige bodem en stopte daar zijn parachute in. Het was oogsttijd in de Polder van Meyer en hier en daar

stonden korenschoven op het land, waaronder de marconist zich spoedig verstopte. Het duurde niet lang of bewoners van Eesveen en omgeving

begaven zich naar het wrak van het vliegtuig en wares nieuwsgierig of er ook nog vliegers in aanwezig waren. Fred Gerritz lag echter enkele

honderden meters van het vliegtuig order een korenschoof.

Hij was van zijn vlucht naar Duitsland boven de Noordwesthoek neergeschoten, maar de Amerikaan wist dat zelf natuurlijk niet; daarom achtte

hij het verstandig om de gehele dag onder de korenschoof te blijven liggen. Toen de avond begon te vallen, kwam hij te voor-schijn onder

bescherming van de duisternis. Langzaam sloop hij langs de korenschoven en na niet al te lange tijd, toen het geheel donkey was geworden,

kwam hij op vlak weiland. Hij passeerde de sluisjes over de Steenwijker Aa achter Nijensleek en na een tijdje lopen kwam hij op zijn

verkenningstocht een bordje tegen, waarop stond ,,Assen.. ..km". Op zijn kaart kon hij toen uitmaken dat Assen in Nederland lag en dat hij

ongeveer bij Steenwijk moest zijn geland. Fred Gerritz wandelde door in de duisternis van de nacht, maar hij werd vermoeid en legde zich in het

bos tussen Havelte en Wapserveen ter ruste. Hij sliep, goed die nacht en de volgende ochtend werd hij door het fluiten van de vogels gewekt.

Hij vervolgde zijn weg en passeerde toen enkele woningen, maar waar zou hij nu aankloppen? Hij kon tenslotte toch niet naar Engeland

wandelen en het ergste dat hem kon gebeuren was, dat hij als krijgsgevangene opgepakt zou worden. Toen hij onder Havelte een

alleenstaande boerderij in het oog kreeg, stapte Fred aarzelend naar de voordeur en klopte aan. Een bejaarde boer verscheen en de vliegenier

begon zo goed en zo kwaad als het kon, zijn verhaal over de ongelukkige landing. De boer begreep alles en zei, dat hij naar het bos terug

moest gaan en daar blijven tot de dag voorbij was en de duisternis inviel. Fred Gerritz ging moeizaam terug, maar hield zich aan het gezegde van

de boer. Enkele uren later verscheen deze persoon op de afgesproken plaats en gaf hem een briefje waarop in de Engelse taal stond

geschreven: ,Vrienden zullen je helpen. Wanner je hoort fluiten, fluit dan tweemaal terug. Dit briefje vernietigen."

Fred hoorde echter niets in de nachtelijke dreven van Havelte. Aileen zo nu en dan hoorde hij in de verte het geblaf van een bond. Opnieuw

moest hij de nacht in de openlucht doorbrengen en van slapen kwam niet al te veel.

De volgende ochtend, toen de zon nog maar nauwelijks aan de hemel stond, zag de gestrande marconist op de zandweg een paard en wagen,

waarop een boer in een blauwe kiel en iemand in een zwart pak. De wagen naderde langzaam en plotseling hoorde Gerritz eenmaal fluiten.

,Dat is het veilige sein", dacht hij, maar kwam nog wat aarzelend tevoorschijn. Er werden handen geschud en er vloeiden tranen op de Havelter

heide. Dat was de eerste reactie tussen de drie mensen, die elkaar nooit tevoren hadden gezien. Fred was ervan verzekerd, dat hij contact had

gekregen met mannen, die aan de geallieerde zijde stonden. Hij werd van zijn uniform ontdaan, kreeg een blauwe overal aan, Nederlandse

klompen aan zijn voeten en een schop op de rug. Naast de wagen wandelde hij naar een andere boerderij, waar een van de ondergrondse

strijders hem opwachtte met een fiets. Als een Hollandse boer fietste Fred Gerritz met zijn onbekende vriend over vele wegen en kwam na ruini

een half uur in een stadje aan, waarvan hij later bemerkte, dat dit Steenwijk was. De Duitse soldaten marcheerden door de stad, maar het

tweetal werd niet ontdekt en spoedig klopte zijn Hollandse vriend aan bij een woning, waarin een onderwijzer bleek te wonen. Daar kreeg hij de

verrassing van zijn levern, want sergeant Rye uit Ohio, die in hetzelfde luchtgevecht was neergeschoten en met zijn parachute was geland in

het Land van Vollenhove, zat daar rustig een kopje koffie te drinkers. Zij vertoefden daar die dag en ook de nacht en er werd over allerlei

gesproken.

De volgende ochtend gingen de twee gestrande vliegeniers met hun nieuw verworven vrienden weer op de fiets het platteland in en werden

toen ondergebracht in een villa op het landgoed De Bult. Daar vertoefden zij drie weken lang, maar het was nog steeds niet de definitieve

plaats. Op zekere ochtend kregen ze bericht dat ze weer moesten verhuizen. Het was echter niet zo'n grote afstand: de twee Amerikanen

kregen onderdak bij de toenmalige jachtopziener van het landgoed De Eese. Het leek een beetje vreemd, want de man-nen waren als het ware

in het hol van de leeuw aangeland. De Duitsers kwamen hier dikwijls om op jacht te gaan, maar dit was een listige truc van de mannen, die voor

deze geallieerde vliegers zorgden. Zodra de Duitsers kwamen, verdwenen de mannen, maar zij hadden overigens huiselijk verkeer. Er is hun

nets overkomen. Acht Lange maanden hebben ze daar doorgebracht en het was zeker tot hun grote vreugde toen op de ochtend van 12 april

1945 de jachtopziener kwam met de grote tijding, dat de Canadezen tot de buurt-schap Eesveen waren doorgedrongen. De borrelfles kwam

direct op tafel en dezelfde dag nog gingen ze met de jachtopziener naar Ees-veen om daar hun strijdmakkers te begroeten. De soldaten

begrepen met hoeveel moeite deze mannen in Nederland waren verzorgd. geweerzakken, volgeladen met suiker en koffie, waren de eerste

geschenken die ze de boswachter konden aanbieden.

Deze beide Amerikaanse vliegeniers zijn later via Belgi6 naar Engeland en Amerika teruggekeerd. Een jaar later hing er in de woning van de

boswachter te De Baars een dankbetuiging van generaal Eisenhower en van veldmaarschalk Montgomery voor het moedige gedrag betoond

jegens de Amerikaanse piloten, die in de wereld-oorlog 1940-1945 boven Steenwijk uit een brandend vliegtuig moesten springen.

Onderduikers.

De Woldberg onderduikersweg.  In de boerderijen aan  deze weg maar ook in  verschillende hutten in de   bossen werden vanaf het  moment

dat men ter werk  kon worden gesteld  onderduikers opgevangen.

Zes gefusilleerden Kallenkote 1944. Het 'Herdenkingsmonument 1944' in Kallenkote (gemeente Steenwijkerland) is een grote zwerfkei, waarop een plaquette is aangebracht. Om de zwerfkei heen is een halve cirkel van kleinere keien geplaatst. Het gedenkteken is 1 meter 70 hoog, 1 meter 70 breed en 80 centimeter diep. Oorspronkelijk be- stond het monument uit een grote zwerfkei waarop een groot kruis was ingekerfd. In de jaren negentig vond de heer J. Postema, oud-militair van de Johannes Postkazerne, dat de gedenksteen een waardiger karakter verdiende. Hij wist de Gemeente Steenwijk te overtuigen. En zo werd er een marmeren plaquette met zes kruisjes op de kei geplaatst. Ook kwam er een halve cirkel van kleine keien, waarmee de omgeving van het monument een gedenkwaardiger uitstraling kreeg. Het monument staat op de plek van de fusillade, midden op de heide van het tegenwoordige militaire oefenterrein te Kallenkote (gemeente Steenwijkerland). Te weten bij de ingang zandpad bij Kallenkote 68. Razzia Op 4 oktober 1944 vindt in Steenwijk een razzia plaats met als doel jonge mannen op te pakken om die tewerk te stellen op het vliegveld bij het Drentse dorp Havelte. Om dat te omzei-len duiken Johannes de Vries en zijn aanstaande zwager Frits ten Berge onder bij de familie Bos aan de Wolterholten in Steenwijkerwold. Een week later krijgt Pier Schipper, die in Steenwijk woont, 's avonds bezoek van twee mannen. Ze doen zich voor als 'ondergrondsen' en komen vragen om voedsel bestemd voor onderduikers (Pier is slager van beroep). Daar ontmoeten ze ook Uilke de Jong, de zwager van Pier, die er ondergedoken was. Als ze horen dat Uilke geen persoonsbewijs of stamkaart heeft, haalt de een een blanco stamkaart tevoorschijn en vult die in op naam van Uilke; het persoonsbewijs krijgt hij zo snel mogelijk. Daarna vertrekken de twee, met brood, vlees en worst. De volgende dag valt de Sicherheitsdienst binnen. Als Uilke zijn stamkaart laat zien, blijkt deze vals te zijn. Daarop doorzoeken de Duitsers het huis en worden Pier, zijn vrouw Dirkje en Uilke meegenomen naar de Johan van de Kornputkazerne. Op diezelfde avond, 11 oktober, kloppen de Duitsers ook aan bij de familie Bos in Steenwijkerwold. Ze zijn op zoek naar de knecht van Bos, Jannes de Vries, die daar inwoont. Deze is op dat moment echter niet thuis. Scharführer Johannes Jürgensen gelast daarop een huiszoeking waarbij Johannes de Vries en Frits ten Berge worden gevonden en meegenomen worden naar de Johan van de Kornputkazerne. Een dag later meldt Jannes de Vries, met alle risico's voor hemzelf, zich bij de kazerne; hij wil niet dat Hendrik Bos slachtoffer wordt van de ontstane situatie. Maar deze wordt in de loop van de dag alsnog opgepakt. Jannes, die in de loop van de middag weer bij de boerderij van de familie Bos terugkomt, vertelt dat hij Hendrik in de kazerne nog had gezien. In de kazerne zit ook Emanuel Verveer gevangen. Hij is technisch ingenieur, en werkte bij een Nederlands bedrijf dat werk deed voor de Wehrmacht. Bij zijn arrestatie in Zwartsluis, had hij geheime notities bij zich van de IJsselstelling. Maar ook al was hij niet meer dan een ondergedoken jood, dan was dat al aanleiding genoeg om hem vast te zetten. Wat er verder gebeurd is, weten we alleen door de procesver-slagen van na de oorlog. Op 13 oktober worden zes celnummers willekeurig gekozen en die zes mannen worden naar de schietbaan van Kallenkote overgebracht. Ze worden op een rij gezet en Hauptscharführer Habener, de leider van het executiepeloton, leest het Niederma- chungsbefehl van Hans Albin Rauter, de Höhere SS- und Polizeiführer in Nederland, voor. Als reden voor executie wordt 'verboden wapenbezit' genoemd. Een paar minuten later worden de mannen gefusilleerd. Kort daarna krijgt Jan Hendrik van Dalen, een boer die op een naburig land aan het werk is, opdracht om de zes lichamen van de schietbaan te halen en naar de begraafplaats in Kallenkote te vervoeren. Meer informatie: Kunt u vinden in het boek "Steenwijk in 1940-1945", uitgegeven in 1995 door Drukkerij Hovens Gréve bv, te Steenwijk. Dit boek heeft geen isbn. Trein beschieting Op 17 oktober 1944 was er  een trein beschieting. 4 Engelse jagers kwamen  met een oorverdovend  lawaai op een  goederentrein afgestormd. Die trein was vanaf  Leeuwarden vertrokken en  was dus op weg naar  Steenwijk maar werd  onderweg onder vuur  genomen:  Dat waren 5  mitrailleur salvo's er waren  geen gewonden of doden.  Maar een paar van de  goederenwagons gevuld  met stro vlogen vervolgens  in brand. Daarop belde J.F Kluin  (waarschijnlijk de  machinist) de stationschef.  Die moet worden gebeld  bij dit soort situaties. De bevrijding van Steenwijk. Sinds september 1944 hadden velen in Noord Nederland uit gekeken naar hun bevrijders. Na de verloren slag bij Arnhem was de opmars der geallieerden vastgelopen bij de grote slag van  Arnhem. Men verwachtte alom dat de bevrijders die rivieren zouden oversteken maar na het begin van het  voorjaarsoffensief op 23 maart 1945 trok de voorhoede van Montgomery 's 21e legergroep het  Canadese 2e legerkorps zes dagen later bij Dinxperlo in de Achterhoek Oost-Nederland binnen .  Begin april 1945 was er al een groot deel van de Achterhoek en Twente bevrijd . Behalve Engelsen  Canadezen namen Polen, Fransen en Belgen deel aan de strijd. In de nacht van 7 op 8 april 1945  werd in de driehoek Groningen-Zwolle-Coevorden een luchtlanding uitgevoerd door bijna 700  Franse parachutisten van het 2e en 3e Regiment de Chasseurs Parachutistes samengesteld uit  leden van Franse bevrijdingsleger van generaal CH. De Gaulle en van de Maquis. Het was een  slecht uitgevoerde operatie de manschappen kwamen soms kilometers van elkaar neer zodat het  effect er van niet groot was. De opmars van de Canadezen werd daar door niet  direct bespoedigd. Zo ging reeds dagen lang  het gerucht dat Steenwijk spoedig bevrijd zou worden. De opmars van de 3e Canadese Infanterie  Divisie naar het Noorden vorderde gestaag. Reeds op 8 april 1945 was de voorhoede  doorgedrongen tot het Nederlandse Hervormd Diaconessenziekenhuis te Meppel. Felle tegenstand  van Duitse zijde aldaar zorgde voor de nodige vertraging. Steenwijk zou het volgende doel zijn.-  Groot was de teleurstelling toen de Canadese hoofdmacht doorstootte in de richting van Assen  - Groningen . Zo duurde het nog een aantal dagen voordat een onderdeel van het Canadese leger  de 17th Duke of York Royal Canadian Hussars in Frederiksoord aankwam. Men had de Steenwijker toorn inzicht op vrijdag 12 april 1945. Een mild vooriaarszonnetie bestraalde het landschap en het was alsof de zomer zich plotseling had aangekondigd. Toch was het in Steenwijks straten alsook in de buurtschappen somber op deze ochtend. Bijna niemand begaf zich op straat. Vele ingezetenen waren in de vroege ochtend nog naar het vliegveld in Havelte gegaan om daar te werken of zij hadden arbeid in het landgoed De Eese, alwaar de Duitsers de zogenaamde ,Munitionsausgabe Stellung Friesland" hadden geprojecteerd. In Steenwijks straten klonken zo nu en dan voetstappen van Duitse soldaten en het geronk van vliegtuigen was niet van de lucht. Boven de oude Sint Clemenstoren tekenden zich witte strepen of van de bommenwerpers, die op weg waren naar Duitsland. Toen de wijzers van de klok twintig minuten over elf in de ochtend wezen, spatte er plotseling een granaat uiteen tegen de torentrans en kogels vlogen over Steenwijk. De Canadezen waren van Eesveen uit naar Steenwijk opgerukt. Reeds weken tevoren ging het gerucht dat de Canadezen dicht in de buurt waren. Er werd veel over gesproken, maar niemand kon het bevestigen. De twee mannen, die op die ochtend de stad uit waren gegaan en tegen elf uur weer terugkwamen, verkon-digden echter dat de, Canadezen langs de kant van de weg in Nijensleek en Eesveen stonden. Er waren zelfs Duitse soldaten die het niet wilder aannemen, maar uit voorzorg namen ze de laatste rijwielen in beslag. Van deze militairen was het een goede greep geweest, want enkele uren later moesten zij, voor zover er nog gelegenheid was, de benen nemen. Het verhaal van de twee mannen klonk de bewoners van Steenwijk alt een sprookje in de oren, maar toch werd dit sprookje werkelijkheid. In Frederiksoord, Nijensleek, Eesveen en De Butt hadden de bevrijders zich opgesteld en tegen elf uur reden drie tanks over de Eesveenseweg in de richting Steenwijk. Vier jachtvliegtuigen begeleidden de tanks op hun tocht naar de oude vestingstad, waar in vroegere jaren al zoveel strijd was gestreden en velen verkeerden in de mening dat Steenwijk nu weer een strijdtoneel zou worden. Aan-vankelijk liet zich dit ook zo aanzien. Toen de tanks Steenwijk in zicht kregen, hadden de Duitsers, die op de torentrans stonden, hun vijand in het vizier gekregen en zij openden het vuur. Ook de Canadezen hadden reeds vernomen, dat de Duitsers op de Sint Clemens een uitkijkpost hadden en plaatsten hun tanks met middel zwaar geschut in het woonwagenkamp aan de Eesveenseweg. Het duurde maar kort en er klonk een harde knal over de Meenthen en enkele seconden later vielen brokstukken van de toren. De granaat had doelgetroffen. Vijfmaal donderde het over de landerijen en vijf projectielen spatter tegen de toren uiteen. De Duitsers voelden zich de stenen order de voeten warm worden en klommen spoedig naar beneden zonder de Canadezen antwoord te geven. De oude Steenwijker toren bleef dus gespaard voor verdere beschadiging. De tanks reden verder, maar het bruggetje over de Aa, vlak voor Steenwijk, — dit gedeelte van het riviertje werd later gedempt — bleek niet in goede conditie te zijn, althans te bouwvallig om deze zware kolossen te dragen. De Canadezen waagden het niet om Steenwijk over dit bruggetje binnen te rukken en terwijl ze daar aan de ingang van de oude vesting-stad een gesprek voerden, kwam er plotseling een Duitse legerauto. die zich naar de voormalige Pasmans fabrieken zou begeven. De chauffeur hiervan was blijkbaar niet met de toestand op de hoogte en reed doodleuk op de Canadezen in. Toen deze echter de gecamoufleerde auto zagen, werd het vuur geopend en reeds bij het eerste schot spoot het kokende koelwater uit de radiateur en de chauffeur trachtte op harden en voeten weg te komen. Dit korte gevecht was tevens een voorbode van de komst van de Canadezen uit deze richting, want het bleek toch dat de brug onbetrouwbaar was en de tanks reden terug naar Eesveen. Inmiddels hadden andere troepen zich gevestigd in het arbeidskamp te De Bult. De mannen maak- ten zich niet druk, ginger rustig eten koken en des middags trokken de tanks over Wapserveen en Kallenkote. Tegen vijf uur op die vrijdagmid- dag van 12 april 1945 reden de eerste Canadese soldaten Steenwijk binnen. Inmiddels was men ook via Willamsoord naar Steenwijk gekomen en de Duitsers, die het hazenpad kozen, werden hier opgevangen en in de ambachtsschool opgesloten. Het waren alleen maar oudere Duitse soldaten, die de laatste dagen voor de bezetting van Steenwijk en omgeving zorgden. Deze mannen vonden het welletjes. Ze waren blij dat de „Krieg" afgelopen was. Ze verlangden alleen maar zo spoedig mogelijk naar hun woonplaatsen terug te kunnen gaan. De eerste tijd werden deze oude soldaten ondergebracht in een daarvoor speciaal ingericht kamp in Diever. Tegen het vallen van de avond trokken verscheidene Canadezen Steenwijk binnen en een groot deel van de bewoners uit de omgeving kwam met hen mee. Toen werkte niemand meer en er heerste vreugde in de stad. Jong en oud was op de been om de Canadezen te verwelkomen. In de Duitse munitieopslagplaats op de Eese werd veel oorlogstuig gedeponeerd. Er was zelfs een begin gemaakt met het leggen van een spoorlijn van Willemsoord af naar deze opslagplaats. Veertien stenen gebouwen waren er verrezen met muren van meer dan een meter dik. Vele boeren uit deze omtrek moesten weken lang stenen vervoeren van Steenwijk naar dit depot om de zandwegen daarmee te kunnen ver- harden. Ontzaglijk veel werk is daar verzet, maar toen de Canadezen Steenwijk bijna hadden bereikt, stonden vele woningen in de omgeving te schudden. De Duitsers lieten met de komst van de Canadezen de grote munitieopslagplaatsen in de lucht vliegen. Het was een verschrikke-lijk lawaai en overal in de omgeving sprongen de ruiten. Het duurde meer dan anderhalf uur en toen was alles, wat met zoveel moeite was ver- vaardigd, één rokende massa. De „Munitionsausgabe" was historie geworden. De Canadezen trokken verder en in minder dan één dag tijd was de gehele Noordwesthoek van Overijssel bevrijd. Het maatschappelijke en culturele leven lag lam, maar kwam spoedig weer op gang. De Noordwesthoek begon weer te leven, maar het duurde toch nog ruim drie jaar voordat de distributiebonnen, die in de oorlogstijd waren ingevoerd, konden worden afgeschaft. Joods monument. Dit monument bestaat nog niet zo lang en is  opgericht ter herinnering aan de Joodse gevallenen  die weg gevoerd zijn uit Steenwijk en nooit  meer  terug zijn gekomen,staat aan de Gasthuispoort. De bevrijding van Steenwijk. Sinds september 1944 hadden velen in Noord Nederland uit gekeken naar hun bevrijders. Na de verloren slag bij Arnhem was de opmars der geallieerden vastgelopen bij de grote slag van  Arnhem. Men verwachtte alom dat de bevrijders die rivieren zouden oversteken maar na het begin van het  voorjaarsoffensief op 23 maart 1945 trok de voorhoede van Montgomery 's 21e legergroep het  Canadese 2e legerkorps zes dagen later bij Dinxperlo in de Achterhoek Oost-Nederland binnen .  Begin april 1945 was er al een groot deel van de Achterhoek en Twente bevrijd . Behalve Engelsen  Canadezen namen Polen, Fransen en Belgen deel aan de strijd. In de nacht van 7 op 8 april 1945  werd in de driehoek Groningen-Zwolle-Coevorden een luchtlanding uitgevoerd door bijna 700  Franse parachutisten van het 2e en 3e Regiment de Chasseurs Parachutistes samengesteld uit  leden van Franse bevrijdingsleger van generaal CH. De Gaulle en van de Maquis. Het was een  slecht uitgevoerde operatie de manschappen kwamen soms kilometers van elkaar neer zodat het  effect er van niet groot was. De opmars van de Canadezen werd daar door niet  direct bespoedigd. Zo ging reeds dagen lang  het gerucht dat Steenwijk spoedig bevrijd zou worden. De opmars van de 3e Canadese Infanterie  Divisie naar het Noorden vorderde gestaag. Reeds op 8 april 1945 was de voorhoede  doorgedrongen tot het Nederlandse Hervormd Diaconessenziekenhuis te Meppel. Felle tegenstand  van Duitse zijde aldaar zorgde voor de nodige vertraging. Steenwijk zou het volgende doel zijn.-  Groot was de teleurstelling toen de Canadese hoofdmacht doorstootte in de richting van Assen  - Groningen . Zo duurde het nog een aantal dagen voordat een onderdeel van het Canadese leger  de 17th Duke of York Royal Canadian Hussars in Frederiksoord aankwam. Men had de Steenwijker toorn inzicht op vrijdag 12 apri 1945. Een mild vooriaarszonnetie bestraalde het landschap en het was alsof de zomer zich plotseling had aangekondigd. Toch was het in Steenwijks straten alsook in de buurtschappen somber op deze ochtend. Bijna niemand begaf zich op straat. Vele ingezetenen waren in de vroege ochtend nog naar het vliegveld in Havelte gegaan om daar te werken of zij hadden arbeid in het landgoed De Eese, alwaar de Duitsers de zogenaamde ,Munitionsausgabe Stellung Friesland" hadden geprojecteerd. In Steenwijks straten klonken zo nu en dan voetstappen van Duitse soldaten en het geronk van vliegtuigen was niet van de lucht. Boven de oude Sint Clemenstoren tekenden zich witte strepen of van de bommenwerpers, die op weg waren naar Duitsland. Toen de wijzers van de klok twintig minuten over elf in de ochtend wezen, spatte er plotseling een granaat uiteen tegen de torentrans en kogels vlogen over Steenwijk. De Canadezen waren van Eesveen uit naar Steenwijk opgerukt. Reeds weken tevoren ging het gerucht dat de Canadezen dicht in de buurt waren. Er werd veel over gesproken, maar niemand kon het bevestigen. De twee mannen, die op die ochtend de stad uit waren gegaan en tegen elf uur weer terugkwamen, verkon-digden echter dat de, Canadezen langs de kant van de weg in Nijensleek en Eesveen stonden. Er waren zelfs Duitse soldaten die het niet wilder aannemen, maar uit voorzorg namen ze de laatste rijwielen in beslag. Van deze militairen was het een goede greep geweest, want enkele uren later moesten zij, voor zover er nog gelegenheid was, de benen nemen. Het verhaal van de twee mannen klonk de bewoners van Steenwijk alt een sprookje in de oren, maar toch werd dit sprookje werkelijkheid. In Frederiksoord, Nijensleek, Eesveen en De Butt hadden de bevrijders zich opgesteld en tegen elf uur reden drie tanks over de Eesveenseweg in de richting Steenwijk. Vier jachtvliegtuigen begeleidden de tanks op hun tocht naar de oude vestingstad, waar in vroegere jaren al zoveel strijd was gestreden en velen verkeerden in de mening dat Steenwijk nu weer een strijdtoneel zou worden. Aan-vankelijk liet zich dit ook zo aanzien. Toen de tanks Steenwijk in zicht kregen, hadden de Duitsers, die op de torentrans stonden, hun vijand in het vizier gekregen en zij openden het vuur. Ook de Canadezen hadden reeds vernomen, dat de Duitsers op de Sint Clemens een uitkijkpost hadden en plaatsten hun tanks met middelzwaar geschut in het woonwagenkamp aan de Eesveenseweg. Het duurde maar kort en er klonk een harde knal over de Meenthen en enkele seconder later vielen brokstukken van de toren. De granaat had doelgetroffen. Vijfmaal donderde het over de landerijen en vijf projectielen spatter tegen de toren uiteen. De Duitsers voelden zich de stenen order de voeten warm worden en klommen spoedig naar beneden zonder de Canadezen antwoord te geven. De oude Steenwijker toren bleef dus gespaard voor verdere beschadiging. De tanks reden verder, maar het bruggetje over de Aa, vlak voor Steenwijk, — dit gedeelte van het riviertje werd later gedempt — bleek niet in goede conditie te zijn, althans te bouwvallig om deze zware kolossen te dragen. De Canadezen waagden het niet om Steenwijk over dit bruggetje binnen te rukken en terwijl ze daar aan de ingang van de oude vesting-stad een gesprek voerden, kwam er plotseling een Duitse legerauto. die zich naar de voormalige Pasmans fabrieken zou begeven. De chauffeur hiervan was blijkbaar niet met de toestand op de hoogte en reed doodleuk op de Canadezen in. Toen deze echter de gecamoufleerde auto zagen, werd het vuur geopend en reeds bij het eerste schot spoot het kokende koelwater uit de radiateur en de chauffeur trachtte op harden en voeten weg te komen. Dit korte gevecht was tevens het erode van de komst van de Ca-nadezen uit deze richting, want het bleek toch dat de brug onbe-trouwbaar was en de tanks reden terug naar Eesveen. Inmiddels hadden andere troepen zich gevestigd in het arbeidskamp te De Bult. De mannen maakten zich niet druk, ginger rustig eten koken en des middags trokken de tanks over Wapserveen en Kallenkote. Tegen vijf uur op die vrijdagmiddag van 12 april 1945 reden de eerste Canadese soldaten Steenwijk binnen. Inmiddels was men ook via Willamsoord naar Steenwijk gekomen en de Duitsers, die het hazenpad kozen, werden hier opgevangen en in de ambachtsschool opgesloten. Het waren alleen maar oudere Duitse soldaten, die de laatste dagen voor de bezetting van Steenwijk en omgeving zorgden. Deze mannen vonden het welletjes. Ze waren blij dat de „Krieg" afgelopen was. Ze verlangden alleen maar zo spoedig mogelijk naar hun woonplaatsen terug te kunnen gaan. De eerste tijd werden deze oude soldaten ondergebracht in een daarvoor speciaal ingericht kamp in Diever. Tegen het vallen van de avond trokken verscheidene Canadezen Steenwijk binnen en een groot deel van de bewoners uit de omgeving kwam met hen mee. Toen werkte niemand meer en er heerste vreugde in de stad. Jong en oud was op de been om de Canadezen te verwelkomen. In de Duitse munitieopslagplaats op de Eese werd veel oorlogstuig gedeponeerd. Er was zelfs een begin gemaakt met het leggen van een spoorlijn van Willemsoord af naar deze opslagplaats. Veertien stenen gebouwen waren er verrezen met muren van meer dan een meter dik. Vele boeren uit deze omtrek moesten weken lang stenen vervoeren van Steenwijk naar dit depot om de zandwegen daarmee te kunnen verharden. Ontzaglijk veel werk is daar verzet, maar toen de Canadezen Steenwijk bijna hadden bereikt, stonden vele woningen in de omgeving te schudden. De Duitsers lieten met de komst van de Canadezen de grote munitieopslagplaatsen in de lucht vliegen. Het was een verschrikkelijk lawaai en overal in de omgeving sprongen de ruiten. Het duurde meer dan anderhalf uur en toen was alles, wat met zoveel moeite was vervaardigd, één rokende massa. De „Munitionsausgabe" was historie geworden. De Canadezen trokken verder en in minder dan één dag tijd was de gehele Noordwesthoek van Overijssel bevrijd. Het maatschappelijke en culturele leven lag lam, maar kwam spoedig weer op gang. De Noordwesthoek begon weer te leven, maar het duurde toch nog ruim drie jaar voordat de distributiebonnen, die in de oorlogstijd waren ingevoerd, konden worden afgeschaft. Joods monument. Dit monument bestaat nog niet zo lang en is  opgericht ter herinnering aan de Joodse gevallenen  die weg gevoerd zijn uit Steenwijk en nooit  meer  terug zijn gekomen,staat aan de Gasthuispoort Afscheidsgedicht van een joods meisje. Dit ontroerende gedicht is in 1939 geschreven door een joods meisje bij haar afscheid van Fredeshiem. Een groep van 39 uit Duitsland afkomstige joodse kinderen tussen de 14 en 18 jaar verbleven tussen maart en december 1939 in het doopsgezinde broederschapshuis. Dankzij de heer Hoekema uit Haarlem weten we dat het gedicht is geschreven door Ursula Pintus. Ursula ging samen met haar broer Werner bij het uitbreken van de oorlog terug naar Berlijn. Ze overleefde de oorlog, maar moest wel de wreedheden van het Russische leger ervaren toen dat de stad Berlijn innam. Later is ze teruggekeerd naar Nederland. De ouders van de kinderen waren of al overleden of in Duitsland                                                                                                                                   achtergebleven. De kinderen maakten deel uit van de stroom joodse                                                                                                                                   vluchtelingen die, nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen,                                                                                                                                   Duitsland ontvluchtten. In het gastenboek van Fredeshiem staan de                                                                                                                                   namen van deze kinderen.