Kanonskogels

Bij binnenkomst in het Stadsmuseum wordt meteen de aandacht getrokken

door enkele loodzware kanonskogels die langs de linkerplint liggen

uitgestald. De meeste hiervan zijn in het recente verleden in de stadswallen

aangetroffen; waar precies en op welke plaats is niet altijd bekend. Wel is

bekend dat ze van buitenaf op de stad zijn afgevuurd, hetzij Georges de

Lalaing, beter bekend als de graaf van Rennenberg, in 1581-1582 Of tijdens

het beleg en de verove-ring van Steenwijk in 1592 door prins Maurits en de

Friese stadhouder Willem Lodewijk. Deze kogels werden afgevuurd door

kanonnen waarvan er vele soorten bestonden. Men onderscheidde vier

hoofdty-pen: het veldgeschut, het valkonet, de hele en de halve kartouw. De

laatste twee werden ook wel kanon genoemd. De kanonskogels waren zware gietijzeren ballen in verschillende soorten en maten, waarvan er

alleen al gedurende het beleg van Steenwijk in 1592 ongeveer 29.000 zijn afgevuurd. De zwaarste in het Stadsmuseum aanwezige kogels

wegen maar liefst 17V2 kilogram!

Bij een gevecht op korte afstand vulde men de kanonlopen meestal met musketkogels of gemalen schroot. Zo nu en dan maakte men de

kogel gloeiend heet om het doel in brand te kunnen schieten. Zowel in 1581-1582 als in 1592 is dit ook bij de belegering van Steenwijk gebeurd.

Bij het laden van het kanon bracht men in zulke gevallen een graszode aan tussen de afvuurlading en de gloeiende kogel om voortijdig afvuren

te voorkomen. Bij een belegering werden de kanonnen op opgeworpen verhogingen van aarde, 'katten' genaamd, geplaatst. Een kanon werd

bediend door twee konstabels of twee kanonniers die daarvoor een klein examen hadden afgelegd. Er was namelijk buskruit en 'buskruit' en

het was daarom noodzakelijk om enige kennis te hebben van de scheikundige samenstelling ervan. Uiteraard moest men vooral vaardig zijn in

het richten, laden en vuren!