© Albert
STEENWIEK

Historische voorwerpen

Brief van de Keizer

In de 14e eeuw is in en rond de vesting Steenwijk heel wat afgevochten. Door de Geldersen, de Frie- zen, de Zwollenaren. De Steenwijkers zelf waren ook niet mis. Steenwijk stond onder het toezicht van de bisschop van Utrecht, die zelf weer aange- stuurd werd door keizer Karel V. Moedig.  Omdat een aanval van de Friezen moedig was afgeslagen, kreeg Steenwijk in 1523 van de bisschop van Utrecht het recht meer markten te organiseren. De omringende dorpen zagen hun inkomsten verdwijnen en namen drastische maatregelen. Steenwijk werd bijna totaal verwoest. Het gezag over Steenwijk werd toegewezen aan de Stad- houder van Friesland en Overijssel. Georg Schenck De Stadhouder Georg Schenck van Toutenburg (1480-1540) besliste in overleg met Karel V, dat Steenwijk door de inlijving bij Friesland het recht verloor op de Steenwijker Kamp en de helft van inkomsten uit de handel. Een soort belasting aan de Keizer en de Stadhouder. Brief In 1534 werd Steenwijk aan Overijssel overgedragen. Dat had gevolgen voor de stad. Oude schul- den moesten betaald worden. De Keizer gaf Steenwijk daarom de Kamp en andere privileges weer terug. Dat staat in de akte uit 1534 van Karel V. Deze belangrijke akte is zorgvuldig bewaard geble- ven en kan nog steeds bekeken worden. Een verkorte weergave uit de akte: 'Karel, keizer enz. geeft, daar de stad door hare hereniging met Overijssel wordt verplicht tot beta- ling van hare oude schul-den aan dit landschap, aan Steenwijk, tot onderhoud harer vestingwerken, terug de inkomsten van de Zuidermeenthe en van de landerijen, de stadsweren en het Loo, welke inkomsten in 1523 waren bestemd ten behoeve van de keizer en tot onderhoud van het blokhuis binnen de stad, behouden-de de keizer voor zich en zijne nakomelingen de eveneens in 1523 van de stadsinkomsten afge-scheiden halve waag en de turfmanden en bovendien jaarlijks twintig wagens turf ten behoeve van onze officier van Steenwijk.'

Besluit van Willem van Oranje

Tijdens de 80-jarige oorlog (1568-1648) was een gebied het ene moment in handen van Willem van Oranje, het andere moment was Spanje weer aan de macht. Dat gebeurde ook in de kop van Ove- rijssel. Voor Steenwijk en Oldemarkt had dat in 1581 grote gevolgen. Weekmarkt in Oldemarkt. Met schepen, wagens, karren en kruiwagens werd de handelswaar aangevoerd. Boter, groenten, fruit, vis, eieren, van alles was er te koop. Met Oldemarkt ging het rond 1580  meer dan goed.  Tachtigjarige oorlog De oorlog betekende het begin van het einde. Ook al speelde het begin van de oorlog zich vooral in Holland en Zeeland af, de gevolgen voor de kop van Overijssel waren goed merkbaar. De handel stagneerde door gevechtshandelingen op de Zuiderzee. Rennenberg in Steenwijk  In de winter van 1581 werd Steenwijk belegerd door Rennenberg, die in dienst was van de Span- jaarden. De belegering duurde  door het moedige optreden van Van der Kornput en zijn leger maar even, maar de gevolgen waren rampzalig. Honderden soldaten sneuvelden, honderden burgers stierven door het uitbreken van de pest. Beloning Toen Willem van Oranje kennis nam van de tragische gevolgen voor het dappere Steenwijk nam hij een besluit. De markt van Oldemarkt werd op zijn gezag verplaatst naar Steenwijk. Dat zou de Steenwijkers er weer bovenop helpen. In Oldemarkt zal men niet blij met dit besluit geweest zijn. Een jaar later werd Steenwijk opnieuw door de Spanjaarden belegerd. Zou Oldemarkt hierbij een handje geholpen hebben?

Burgerboek

Een burger was iemand die de eed op het stadsrecht had afgelegd. Dit betekende dat hij werd inge- schreven in het Burgerboek en mocht delen in de voorrechten die zijn stad in de Middeleeuwen door stadsrechten had verkregen. Deze voorrechten waren bijvoorbeeld vrijstelling van tolgelden, toegang tot het lidmaatschap van een ambachtsgilde of berechting door de stedelijke rechtbank of het vee laten weiden op de ge- meenschappelijke stadsweide (de Meenthe). Nieuwkomers Een vreemdeling werd niet zomaar burger. Je moest genoeg geld bezitten om je gezin te onder- houden en de belastingen te betalen. Je  moest kunnen aantonen waar je eerder had gewoond, welk beroep je uitoefende en welke godsdienst je had. Borg Werd je goedgekeurd door de Magistraat, dan moest je borggeld betalen zodat je niet snel voor bijstand zou komen. En je moest de eed van trouw aan de stad afleggen. Je verloor je burgerschap en je borg als je langer dan een jaar en een dag buiten de stad gewoond had. Grootburgers en Kleinburgers Iedereen die in Steenwijk werd geboren, was automatisch grootburger. Zij hadden meer rechten. Bijvoorbeeld om in het stadsbestuur te worden gekozen. Kleinburgers waren de nieuwkomers. Soms werden zij toch grootburgers, bijvoorbeeld als de stad de nieuwe bewoners hard nodig had.

Bodebus

In 1813 werd de inhoud van de stadszilverkast verkocht. De meeste voorwerpen werden toen omgesmolten. Slechts de uit de uit 1630 stammende ‘bodebus’, het onderscheidingsteken van de stadsbode, bleef bewaard.

Burgermeesterszetel

Deze fraai bewerkte burgemeesterszetel werd in 1919 vervaardigd in de meubelmakerij van de ge- broeders Monsieur aan de Jan Hendrik Tromp Meestersstraat in Steenwijk. Oorspronkelijk werd deze stoel vergezeld van maar liefst veertien bijbe- horende fauteuils: voor de twee wethouders, de elf gemeenteraadsleden en de gemeentesecretaris. Helaas zijn die hier niet meer aanwezig. Alle waren gemaakt van savoyaans (uit Zuidoost Frankrijk) eikenhout. De burgemeesters stoel is aan de boven- zijde voorzien van het stadswapen in de vorm van een prachtig gebeeldhouwd opzetstuk met een afbeelding van Sint Clemens met de bisschopsstaf en een bekroond schild met daarop het Steenwijker anker. Dit is gemaakt door Hendrik Middelwijk, beeldhouwer en hout-snijder bij de meubelmakerij van Monsieur. De raadszetels maakten deel uit van het nieuwe interieur van Rams Woerthe, dat op 28 maart 1919 officieel als gemeentehuis in gebruik was genomen. Tot aan de gemeentelijke herindeling van Noordwest-Overijssel in 1973, waarbij Steenwijkerwold en Steenwijk werden samengevoegd, bleef het meubilair in gebruik. In de nieuwe gemeente Steenwijk paste het oude Steenwijker stadswapen niet meer. De burgemeestersstoel en de andere stoelen werden vervangen en voorlopig opgeslagen op de stadswerf. Later zijn ze op mysterieuze wijze ver- kocht en kwamen ze in bezit van een antiekhandelaar, die de 'gewone' stoelen weer doorverkocht, maar de fraaie burgemeesterszetel zelf behield. In 2003 kreeg de gemeente Steenwijkerland de mogelijkheid de stoel weer te verwerven. Na een grondige restauratie is het nu weer een pronkstuk in het gebouw waar hij vele jaren werd gebruikt: de stijlkamer van Rams Woerthe.

Gedicht van Dirk Ram

Gedicht te vinden van de omroeper Dirk de Ram over de volmacht Clarenberg, die zijn gelag en boeten niet had betaald. Hieronder een transscriptie van het gedicht. 'Dees boetten die hier onder staan                     Ik drink voor hem een glas of vier Moet gij niet om na huijs toe gaen                      Een ander seeven nae de zwier                                  Zonder te zeggen goede nagt                               Wij hebbent al daer opgezet En zelfs te hebben overdagt                                 De man is ziek hij moet nae bet Een burgemeester van de raad                            En mede lid der magistraad                                 Deeze aan Clarenberg geintineert Gaad zonder spreken van 't stadhuijs                Zijn vrouw gesproken en worde verveert Sluijp stanten na zijn eijgen huijs                        Hij lag te bed zijn hooft deed zeer Niet eens betaald zijn eijgen schuld                   Zijn vrouw ging wegh en sprak niet meer Ses stuijvers hebben wij geduld                          Het spijt mijn van die goede man                       Dit zeg en luijg ik als ik daer kwam           Dat hij niet meerder drinken kan                        Dat dit de waerheijt is Dirk de Ram'                                                            

Herinneringspennining geslagen 12 april 1945

Ter gelegenheid van de Bevrijding werd in  mei 1945 een 250-tal penningen geslagen, waarvan de meeste zinken penningen door  de Canadese militairen als herinnering werden meegenomen naar Canada.

Heilige Sint Adelbertus

In de Grote Kerk staat een 74 cm hoog eikenhouten beeldje van de heilige Sint Adelbertus. Ooit, in 1570, werd dit beeld door pastoor J. Roberink uit Steenwijk geschonken aan de eerste aartsbis- schop van Utrecht, Frederik Schenck van Toutenburg. Dat gebeurde dus in de tijd dat nog de nawe- eën gevoeld werden van de Beeldenstorm. Mogelijk heeft pastoor Roberink door deze schenking het beeldje voor vernieling willen behoeden. Het is voor onbepaalde tijd in bruikleen afgestaan door het Rijksmuseum Het Catharijne Convent in Utrecht. De maker van het beeld is onbekend, maar wie was deze Adelbertus? Adelbertus was een uit Northumberland (Engeland) afkomstige diaken. Sinds 1981 bevindt zich in het zuidkoor. Die samen met Willibrord, in 690 vanuit Ierland het Kanaal zou zijn overgestoken om in onze streken te prediken en wonderen te verrichten. Hij zou een zeer nederig persoon zijn geweest. Na zijn dood op 25 juni 740 werd hij door de dorpelingen van Egmond begraven en werd er boven zijn graf een kapelletje gebouwd. Na zijn dood gebeurden er vele wonderen, zodat er veel pelgrims naar zijn graf kwamen. Nog altijd wordt het gebeen te van Adelbertus, de schutspatroon van Egmond, vereerd in de kapel van het benedictijner klooster in Egmond-Binnen. Daar, onder het altaar, ligt sinds 1984 de zorgvuldig uit minuscule brok stukjes gereconstrueerde schedel van Adelbertus. Deze schedel, waarvan de exacte ouderdom is vastge- steld, werd toen op feestelijke wijze overgebracht van de Adelbertusakker naar de abdijkerk. Adelbertus wordt in andere bronnen meestal afgebeeld als aartsdiaken met een geopend boek en een lelie in zijn hand. Omdat hij van koninklijke afkomst zou zijn, ziet men soms aan zijn voeten een kroon en een scepter.

Afscheids brief Joodje 1939

Dit ontroerende gedicht is in 1939 geschreven door een joods meisje bij haar afscheid van Fredes- hiem. Een groep van 39 uit Duitsland afkomstige joodse kinderen tussen de ca. 6 en 18 jaar verble- ven tussen maart en juli 1939 in het doopsgezinde broederschapshuis. Dankzij de heer Hoekema uit Haarlem weten we dat het gedicht waarschijnlijk is geschreven door Ursula Pintus. De ouders van de kinderen waren of al overleden of in Duitsland achtergebleven. De kinderen maakten deel uit van de stroom joodse vluchtelingen die, nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen, Duitsland ontvluchtten. In het gastenboek van Fredeshiem staan de namen van deze kinderen. Van slechts een paar kinderen is bekend wat daarna met ze is gebeurd. Van een aantal weten we dat ze, door emigratie of door onder te duiken, de oorlog hebben weten te overleven. Enkele kinderen zijn uiteindelijk weer naar hun ouders in Duitsland teruggegaan. Het gedicht heeft nog jaren in het kerkje bij Fredeshiem gehangen en is nu opgenomen in het archief van Fredeshiem.

In tijden van cholera

Het voorkomen en bestrijden van epidemieën, zoals de Mexicaanse griep, is al eeuwen een over- heidstaak. In de 19e eeuw had de overheid bijvoorbeeld haar handen vol aan het bestrijden van besmettelijke ziektes als pokken, tyfus en tuberculose, die zich razendsnel konden verspreiden in de steeds dichter bevolkt rakende steden. Tot de jaren dertig van de negentiende eeuw was Neder- land gevrijwaard gebleven van de cholera, een zeer besmettelijke darmziekte. Men besefte dat het slechts een kwestie van tijd zou zijn voor ook Nederland ten prooi zou vallen aan de cholera, die ook wel 'Aziatische braakloop' genoemd werd. In 1831 besloot het kabinet daarom als voorzorgs- maatregel alle gemeenten een informatieboekje over cholera te sturen en richtlijnen op te stellen, zodat men zou weten wat te doen als de cholera ook Nederland zou bereiken. In het archief van Kuinre bevinden zich nog enkele van deze boekjes, zie onderstaande afbeelding. In de boekjes staan tips die wij nog steeds zouden onderschrijven: was je handen, lucht de ziekenkamers, trek  schone kleding aan en doe aan lichaamsbeweging.  Andere adviezen zijn nu niet meer zo serieus te nemen: bezoek geen zieken zonder ontbeten te hebben,ontbijt eventueel met sterke drank en verander vooral niet van gewoontes!

Kanonskogels

Bij binnenkomst in het Stadsmuseum wordt meteen de aandacht getrokken door enkele loodzware ka- nonskogels die langs de linkerplint liggen uitgestald. De meeste hiervan zijn in het recente verle- den in de stadswallen aangetroffen; waar precies en op welke plaats is niet altijd bekend. Wel is be- kend dat ze van buitenaf op de stad zijn afgevuurd, hetzij Georges de Lalaing, beter bekend als de graaf van Rennenberg, in 1581-1582 Of tijdens het beleg en de verovering van Steenwijk in 1592 door prins Maurits en de Friese stadhouder Willem Lodewijk. Deze kogels werden afgevuurd door kanonnen waarvan er vele soorten bestonden. Men onderscheide vier hoofdtypen: het veldge- schut, het valkonet, de hele en de halve kartouw. De laatste twee werden ook wel kanon genoemd. De kanonskogels waren zware gietijzeren ballen in verschillende soorten en maten, waarvan er al- leen al gedurende het beleg van Steenwijk in 1592 ongeveer 29.000 zijn afgevuurd. De zwaarste in het Stadsmuseum aanwezige kogels wegen maar liefst 17V2 kilogram! Bij een gevecht op korte af- stand vulde men de kanonlopen meestal met musketkogels of gemalen schroot. Zo nu en dan maakte men de kogel gloeiend heet om het doel in brand te kunnen schieten. Zowel in 1581-1582 als in 1592 is dit ook bij de belegering van Steenwijk gebeurd. Bij het laden van het kanon bracht men in zulke gevallen een graszode aan tussen de afvuurlading en de gloeiende kogel om voortijdig afvuren te voorkomen. Bij een belegering werden de kanonnen op opgeworpen verhogingen van aarde, 'katten' genaamd, geplaatst. Een kanon werd bediend door twee konstabels of twee kanon- niers die daarvoor een klein examen hadden afgelegd. Er was namelijk 'buskruit' en het was daar- om noodzakelijk om enige kennis te hebben van de scheikundige samenstelling er van. Uiteraard moest men vooral vaardig zijn in het richten, laden en vuren!

Keurboek van 1579

Aan het eind van de zestiende eeuw was het recht- systeem in Steenwijk een rommeltje. De burgers klaagden steen en been over willekeur van de  schepenen bij het rechtspreken en ook de bestuur- ders zelf waren ontevreden. Wetgeving en rechtspraak waren in die tijd veelal een lokale zaak, waardoor de kwaliteit nogal eens te wensen over liet. Zo ook dus in Steenwijk. De ontevredenheid stamde waarschijnlijk al van voor 1544. In dat jaar begon Mr. Henricus Boeghel namelijk aan een nieuw stadsboek. Hij werkte er jaren aan, maar zou het nooit afronden. In 1557 werd hij, waar- schijnlijk op staande voet, ontslagen. Daarna kwam het werk aan de Steenwijkse regelgeving jaren- lang stil te liggen. Elders in de rubriek 'Schatten van het archief' kunt u meer informatie vinden over het stadsboek van Boeghel. Nieuw wetboek In 1576 besloot het stadsbestuur dat het nu toch echt hoog tijd werd voor een nieuw wetboek. Mr. Zigher ter Stege kreeg de opdracht om een nieuw keurboek op te stellen. Ter Steghe was geboren in 1535 als zoon van Gheert ter Stege, de burgemeester van Steenwijk. In 1557 werd hij benoemd als stadsecretaris, als opvolger van Henricus Boeghel. Dit ambt zou hij tot aan zijn dood in 1605 beoefenen. De tien jaar dat Steenwijk onder Spaans bestuur viel (1582-1592) bracht Ter Steghe door in Hasselt, waar hij hetzelfde werk deed. Na Steenwijks ontzet kwam hij te- rug. Ter Stege schreef een strafwetboek met 26 hoofdstukken. Het was de eerste keer dat de ver- schillende verordeningen ('keuren') per hoofdstuk geordend werden. Er werd per overtreding een keuze gegeven uit strafmaten al naar gelang de ernst van de overtreding. Dit moest de willekeur bij het rechtspreken tegengaan. Het keurboek van Ter Stege staat bekend als een voortreffelijk wet- boek voor zijn tijd, zie de afbeelding linksonder (klik op de afbeelding voor een groter formaat). Het werd ingevoerd in 1579. Ter Steghe was ook begonnen aan een burgerlijk wetboek, maar dat kon niet ingevoerd worden door de oorlog met Spanje. In 1609 is het wetboek in herziene vorm toch nog ingevoerd. Het keurboek van Ter Steghe bevindt zich in ons archief, maar er zijn ook ver- schillende uitgaven en publicaties van en over het boek.

Lakstempel Steenwijk

Zoals elke stad in Nederland kende ook Steenwijk stadszegels die in het verleden gebruikt werden om oorkonden, contracten en akten vanwege het stadsbestuur te legitimeren. Een zegel werd ge- maakt door boven de akte druppelsgewijs wat vaste zegel- lak te laten smelten en daarin tijdens de stolling het lakstempel te drukken. Het zegel van Steenwijk diende onder andere ter bekrachtiging van door het stadsbestuur opgestel- de akten. De oudst bekende zegels van Steenwijk dateren uit 1417 en 1425, beide met een doorsnede van 43 mmo. Van veel oorkonden zijn de originelen verlo- ren gegaan. Toch weet men soms van de inhoud, omdat men gelukkig nog in het bezit is van het concept of een afschrift. Op die manier is ook de brief van bisschop Johan van Diest, waarin in 1327 de stadsrechten van Steenwijk nog eens werden bevestigd, bewaard gebleven. Vaak bevinden die concepten of afschriften zich in cartularia, waarin de oorkonden van een kerk of klooster werden gekopieerd dat is ook het geval met het voor Steenwijk zeer belangrijke 'Cartularium van het kapit- tel van de Sint Clemenskerk', dat in 1501 werd opgesteld door de kanunnik Herman ten Broecke. Steenwijk kende onder andere een grootzegel en een kleinzegel. We mogen ons gelukkig prijzen weer in het bezit te zijn van het originele lakstempel van het kleinzegel. Lang geleden verdween het hierbij afgebeelde lakstempel op mysterieuze wijze uit het gemeentehuis. Maar gelukkig bevindt het zich nu in het Stadsmuseum aan de Markt. Het stempel is gemaakt van hout met een koperen ring. Het lakzegel vertoont Sint Clemens als paus van Rome met een schild en een anker. In door- snede is het 35 mmo. We zien hier een banderolle, waarop de tekst: 'S(igilum) OPPIDI STEENWIC', het zegel van de stad Steenwijk. Na de Bataafse Revolutie in 1795 en bij de invoering in 1798 van de Staatsregeling, de voorloper van onze grondwet, kwam het gebruik van het lakzegel nog uiterst zel- den voor. Meer informatie over dit onderwerp vindt u in: Gevers, A. J. Het wapen van Steenwijk, te vinden in: Posterna, J. P. J. Tussen graaf en maire, Bijdragen tot de geschiedenis van Steenwijk en omstreken voornamelijk in de 16 e en 17e eeuw, Kampen, 1987, p. 70-89. 

Monsterrollen

Rond 1600 werd door Prins Maurits een hervorming doorgevoerd van het leger. Hij liet zijn mannen ook in rustiger perioden oefenen zonder echt te vechten, zodat automatismen ontstonden en de manschappen geen tijd hadden om op rooftocht te gaan. Deze oefensessies werden door de bevol- king met verbazing bekeken, maar men vond het ook vermakelijk. Uiteindelijk wierp al dat oefenen wel zijn vruchten af. In die tijd bestond het leger uit huurlingen. Monsterrollen zijn lijsten met de namen van soldaten die dienst namen of aanmonsterden in dit zoge- heten Staatse Leger. Naast deze soldaten zijn vaak ook een arts, geestelijke, schrijver, trompetter en tamboer in de administratie te vinden. Vaak kre- gen ze een contract voor een seizoen. Een seizoen begon in het voorjaar en eindigde in het najaar.  In de winter werd er over het algemeen niet gevochten. De weersomstandigheden lieten dat vaak niet toe. Ook in Steenwijk waren soldaten gelegerd. De Steenwijkse monsterrollen beginnen in 1644 en lo- pen door tot 1686. Voor mensen die zich bezighouden stamboomonderzoek  kunnen de rollen interessant zijn, aangezien soms de plaats van herkomst van de soldaat vermeld staat. Er komen bijvoorbeeld ook namen van soldaten uit Oost-Europa in voor. Omdat de monsterrollen voor één seizoen werden opgemaakt, komt het regelmatig voor dat de naam van een militair meerdere ma- len wordt vermeld. Ook voor de Monsterrollen geldt dat het aanbeveling verdient om verschillende schijfwijzen te proberen bij het onderzoek in deze bron.

Stadsboek 1544 Steenwijk

Een Stadboek gaat over wetten, rechtspraak en regelgeving. Iedere stad maakte haar eigen bepa- lingen, totdat landelijk geldend recht werd ingevoerd. Stadssecretaris Aan dit Stadboek is tussen 1544 en 1557 gewerkt door de stadssecretaris mr. Henricus Boeghel. In 1557 werd Boeghel (waarschijnlijk) op staande voet ontslagen en opgevolgd door mr. Zicher ter Steghe die pas in 1576 een geheel nieuw Stadboek ging schrijven. Opnieuw begonnen Toen Henricus Boeghel met zijn klus begon, waren de oude Steenwijker stadsregels volgens de Magi- straat (het stadsbestuur) niet meer toereikend voor de moderne 16e eeuwse bevolking. Een andere le- zing is dat het hele stadsarchief in 1523 bij een inval van de Geldersen in vlammen is opgegaan. Hoe dan ook: Boeghel is in 1544 helemaal opnieuw begonnen Tekeningen  Boeghel had een handschrift, waar we nu nog steeds van kunnen genieten. Prachtige, in gotische stijl getekende hoofden, voorzien van de mooiste beginletters. Tussen die prachtige letters staan tekeningen. Zijn het spotprentjes? Zelfportretten? Zat Boeghel zich te vervelen tijdens de vergade- ringen? Of heeft zijn opvolger Zicher ter Steghe huisgehouden in het Stadboek?

Stadsrechten

Het oudste stuk in het gemeentearchief van Steenwijkerland is een charter van meer dan 650 jaar oud dat Vollenhove stadsrecht geeft. Het stadsrecht is in 1354 door de bisschop van Utrecht, Jan van Arkel, aan Vollenhove gegund. Stadsrecht In de Middeleeuwen was het voor gebieden met veel handel en nijverheid noodzakelijk een eigen recht- spraak te hebben. Dit was nodig omdat men niet uit de voeten kon met de rechtspraak van het platteland. Na de 80-jarige oorlog (1568-1648) kwam met de stichting van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een einde aan de behoefte een apart lokaal stadsrechtsysteem te hebben. Drie steden Drie echte steden heeft de gemeente Steenwijkerland binnen haar grenzen. De oudste is Steenwijk, Vollen- hove de middelste, Blokzijl het nakomertje. Blokzijl Blokzijl is wat betreft het verkrijgen van het stadsrecht een vreemde en unieke eend in de bijt. In het rampjaar 1672 kende stadhouder Willem III Blokzijl als enige plaats in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het stadsrecht toe. Blokzijl verdiende het. De Blokzijligers hadden samen met de Friezen de bisschop van Münster, Bernhard van Galen (alias Bommen Berend), en z'n troepen verjaagd. Jammer genoeg waren de privileges van korte duur.

Steenwijker Almanak

We zien hier drie verschillende uitvoeringen van de bekende Steenwijker Almanak. De almanak was één van de oudste middelen om de mens een beetje houvast te geven in de dagelijkse gang van zaken en in de jaarlijkse cyclus van ebeurtenissen in het leven op het platteland. Het was een boek- je met een kalender van dagen, weken en maanden, aangevuld met diverse gegevens zoals de stand van zon en maan, de feest-, gedenk- en marktdagen, tijden van eb en vloed, soms ook weers- voorspellingen en astrologische gegevens. Het woord 'almanak' werd voor het eerst in 1266 door Roger Bacon gebruikt in zijn verhandeling Opus Maius. Het komt van het Arabische woord 'al manakh', waarmee het klimaat of de seizoenen worden bedoeld. De eerste gedrukte almanakken, goedkoper dan de geschreven exemplaren en dus voor een groter pu- bliek bereikbaar, verschenen in 1460. De eerste Ne- derlandse almanak was de chaapherderskalender die in 1494 werd uitge- bracht. De nog steeds uitgegeven Enkhuizer Almanak kwam voor het eerst in 1632 op de markt. In 1664 begon Obbe Spanjaard met het uitgeven van de Nieuwe Cronijk, de Steenwijker almanak. Hoe dit boekje er precies heeft uitgezien is niet bekend. Mogelijk heeft er op de voorzijde al een afbeel- ding gestaan van de stad Steenwijk. Op de laatste ons bekende Steenwijker Almanak uit 1938 staat dat het de 273ste jaargang is. Het uiterlijk is in de loop der jaren wel enigszins gewijzigd, zowel wat kleur als wat formaat betreft. In 1768 spreekt men van de Steenwijcker Schrijf-Almanach van Obbe Spanjaard, boekdrukker, met een privilege voor vijftien jaar. Het is een ingenaaid boekje van 13 bij 8 centimeter, met na elke hal- ve maand één of twee blanco pagina's. Hierop konden dan allerlei aantekeningen worden gemaakt. Het schutblad was bedrukt met een rechthoekige afbeel-ding var de stad Steenwijk, maar nog zon- der molens aan beide zijden; het omslag was onbedrukt. Het was een maandkalender met weers- voorspellingen, vakanties in Steenwijk en in de provincie Overijssel. We lezen onder meer: De beslo- ten tijd van de Jagt 31 Januari tot den  17 September gedurende welke tijd de honden ten platten  lande moeten gaan met bungels. Even  verder lezen we: Volle maen dingsdag den 2/3 ten 9 uren 51 min in de Leeuw / met donker weer. Hout en turf zal nog goede waar wesen / hij is gelukkig die er nog wel van voorzien is. En tenslotte: De Vacantie van den Bouw zal nu Jaarlijks beginnen op den 23 July en eindigen den 12 Septem. Beide incluis. Rond het jaar 1800 is er de Nieuwe Steenwijcker Schrijf-Calender / comptoir Almanach, eveneens uitgegeven door Obbe Spanjaard, boekdrukker aan de  Markt te Steenwijk. Deze heeft, met een af- beelding van de stad in een geschulpt kader, een formaat van 15,5 bij 10 centimeter. Deze almanak kende na elke bedrukte pagina een blanco bladzijde voor aanteke-ningen. Vanaf 1801 bevatte de Almanak ook Chronyxken, een overzicht van geschkundige feiten beginnend met het jaar 1791. Verder vermeldde hij onder meer de Order op het varen der Schepen  en Schuiten van van Steen- wijk en de Hoveniersalmanak. een overzicht voor het  zaa-ien en planten. Omstreeks 1850 drukte J. Spanjaard de 10 bij 9 centimeter grote  Steenwijker  Almanak, zo'n tien jaar later voortgezet door H. Spanjaard, beide boeklrukkers te Steenwijk. Het waren kleine vrijwel vierkante ingenaaide dunne boekjes zonder tekst op de voorpagina. Vanaf 1890 werd de voorpagina bedrukt met bijvoorbeeld de tekst: STEENWIJKER ALMANAK voor het jaar 1890. Ook werd het jaargangnummer op de voorzij- de vermeld evenals de naam van de drukker. Deze uitvoering bleef tot omstreeks 1920 te koop. In 1899 nam R.H. Bijkerk de boekdrukkerij en binderij over van Spanjaard. Hij ging in het vervolg de Steenwijker Almanakken drukken in een pand in de Weemstraat. In de loop der jaren kwamen er steeds meer kleine verhaaltjes en vooral ook mopjes in voor. In de almanak van 1923 lezen we: Meester op school zegt tegen de kinderen: "Schrijven jullie allemaal een spreekwoord op de lei". De kinderen schrij-ven nu het een na het ander een spreekwoord op, behalve de kleine Wim die, goed kunnende tekenen, meesters portret zit na te tekenen in de hoek van de lei. De meester komt nu de verschillende spreekwoorden lezen, komt ook bij Wim en zegt: "Wim, heb jij geen spreekwoord opgeschreven?". Wim antwoordt: "Ja meester". Meester vraagt: "Waar staat het dan Wim?". Zegt Wim, op het portret wijzend: "Hier, meester. Een ongeluk zit in een klein hoekje". Later werd het formaat van de Almanak wat groter en werden de omslagen ook in kleur uitge- bracht. De voorzijde werd bedrukt met een afbeelding van een open stadsgezicht zonder wallen en grachten. De ge-schulpte kopergravure laat twee kerken zien met enkele wandelaars en een tweetal molens. De Steenwijker Almanak van 1923 had een formaat van 13,5 bij 10,5 centimeter. Ook be- vatte de almanak steeds vaker reclameadvertenties, terwijl de weersvoorspellingen verdwenen. Verder treffen we een overzicht aan van vreemde munten, vlaktematen, inhouds-maten (bijvoor- beeld: 1 schepel = 10 liter), gewichten (bijvoorbeeld: 1 centenaar = 100 kilogram), nationale kente- kenplaten voor automobilisten, posttarieven en meer van dergelijke gegevens. Wist u trouwens dat alle autokentekens in Overijssel met de letter E begonnen? Aan het begin van de twintigste eeuw verscheen er, naast de Steenwijker Almanak, het Jaarboekje voor Steenwijk. uitgegeven door G. Ho- vens Gréve in de Onnastraat. Na de Tweede Wereldoorlog nam dit jaarboekje de functie van de Steenwijker Almanak over. Het verschijnt tot op heden, zij het na de gemeentelijke herindeling in 1973, onder de naam Kijk op Steenwijk. Na het samengaan van de drie gemeenten in de 'Kop' van Overijssel is het onder de titel Kijk op de Kop als gemeentegids voor Steenwijkerland voortgezet.
© Albert Steenweik.nl
STEENWIEK

Historische

voorwerpen

Brief van de Keizer

In de 14e eeuw is in en rond de vesting Steenwijk heel wat afgevochten. Door de Geldersen, de Frie- zen, de Zwollenaren. De Steenwijkers zelf waren ook niet mis. Steenwijk stond onder het toezicht van de bisschop van Utrecht, die zelf weer aange- stuurd werd door keizer Karel V. Moedig.  Omdat een aanval van de Friezen moedig was afgeslagen, kreeg Steenwijk in 1523 van de bisschop van Utrecht het recht meer markten te organiseren. De omringende dorpen zagen hun inkomsten verdwijnen en namen drastische maatregelen. Steenwijk werd bijna totaal verwoest. Het gezag over Steenwijk werd toegewezen aan de Stad- houder van Friesland en Overijssel. Georg Schenck De Stadhouder Georg Schenck van Toutenburg (1480-1540) besliste in overleg met Karel V, dat Steenwijk door de inlijving bij Friesland het recht verloor op de Steenwijker Kamp en de helft van inkomsten uit de handel. Een soort belasting aan de Keizer en de Stadhouder. Brief In 1534 werd Steenwijk aan Overijssel overgedragen. Dat had gevolgen voor de stad. Oude schul-den moesten betaald worden. De Keizer gaf Steenwijk daarom de Kamp en andere privileges weer terug. Dat staat in de akte uit 1534 van Karel V. Deze belangrijke akte is zorgvuldig bewaard geble- ven en kan nog steeds bekeken worden. Een verkorte weergave uit de akte: 'Karel, keizer enz. geeft, daar de stad door hare hereniging met Overijssel wordt verplicht tot beta- ling van hare oude schul-den aan dit landschap, aan Steenwijk, tot onderhoud harer vestingwerken, terug de inkomsten van de Zuidermeenthe en van de landerijen, de stadsweren en het Loo, welke inkomsten in 1523 waren bestemd ten behoeve van de keizer en tot onderhoud van het blokhuis binnen de stad, behouden-de de keizer voor zich en zijne nakomelingen de eveneens in 1523 van de stadsinkomsten afge-scheiden halve waag en de turfmanden en bovendien jaarlijks twintig wagens turf ten behoeve van onze officier van Steenwijk.'

Besluit van Willem van

Oranje

Tijdens de 80-jarige oorlog (1568-1648) was een gebied het ene moment in handen van Willem van Oranje, het andere moment was Spanje weer aan de macht. Dat gebeurde ook in de kop van Ove- rijssel. Voor Steenwijk en Oldemarkt had dat in 1581 grote gevolgen. Weekmarkt in Oldemarkt. Met schepen, wagens, karren en kruiwagens werd de handelswaar aangevoerd. Boter, groenten, fruit, vis, eieren, van alles was er te koop. Met Oldemarkt ging het rond 1580  meer dan goed.  Tachtigjarige oorlog De oorlog betekende het begin van het einde. Ook al speelde het begin van de oorlog zich vooral in Holland en Zeeland af, de gevolgen voor de kop van Overijssel waren goed merkbaar. De handel stagneerde door gevechtshandelingen op de Zuiderzee. Rennenberg in Steenwijk  In de winter van 1581 werd Steenwijk belegerd door Rennenberg, die in dienst was van de Span-jaarden. De belegering duurde  door het moedige optreden van Van der Kornput en zijn leger maar even, maar de gevolgen waren rampzalig. Honderden soldaten sneuvelden, honderden burgers stierven door het uitbreken van de pest. Beloning Toen Willem van Oranje kennis nam van de tragische gevolgen voor het dappere Steenwijk nam hij een besluit. De markt van Oldemarkt werd op zijn gezag verplaatst naar Steenwijk. Dat zou de Steenwijkers er weer bovenop helpen. In Oldemarkt zal men niet blij met dit besluit geweest zijn. Een jaar later werd Steenwijk opnieuw door de Spanjaarden belegerd. Zou Oldemarkt hierbij een handje geholpen hebben?

Burgerboek

Een burger was iemand die de eed op het stadsrecht had afgelegd. Dit betekende dat hij werd inge-schreven in het Burgerboek en mocht delen in de voorrechten die zijn stad in de Middeleeuwen door stadsrechten had verkregen. Deze voorrechten waren bijvoorbeeld vrijstelling van tolgelden, toegang tot het lidmaatschap van een ambachtsgilde of berechting door de stedelijke rechtbank of het vee laten weiden op de ge- meenschappelijke stadsweide (de Meenthe). Nieuwkomers Een vreemdeling werd niet zomaar burger. Je moest genoeg geld bezitten om je gezin te onder-houden en de belastingen te betalen. Je  moest kunnen aantonen waar je eerder had gewoond, welk beroep je uitoefende en welke godsdienst je had. Borg Werd je goedgekeurd door de Magistraat, dan moest je borggeld betalen zodat je niet snel voor bijstand zou komen. En je moest de eed van trouw aan de stad afleggen. Je verloor je burgerschap en je borg als je langer dan een jaar en een dag buiten de stad gewoond had. Grootburgers en Kleinburgers Iedereen die in Steenwijk werd geboren, was automatisch grootburger. Zij hadden meer rechten. Bijvoorbeeld om in het stadsbestuur te worden gekozen. Kleinburgers waren de nieuwkomers. Soms werden zij toch grootburgers, bijvoorbeeld als de stad de nieuwe bewoners hard nodig had.

Bodebus

In 1813 werd de inhoud van de stadszilverkast verkocht. De meeste voorwerpen werden toen omgesmolten. Slechts de uit de uit 1630 stammende ‘bodebus’, het onderscheidingsteken van de stadsbode, bleef bewaard.

Burgermeesterszetel

Deze fraai bewerkte burgemeesterszetel werd in 1919 vervaardigd in de meubelmakerij van de ge- broeders Monsieur aan de Jan Hendrik Tromp Meestersstraat in Steenwijk. Oorspronkelijk werd deze stoel vergezeld van maar liefst veertien bijbe- horende fauteuils: voor de twee wethouders, de elf gemeenteraadsleden en de gemeentesecretaris. Helaas zijn die hier niet meer aanwezig. Alle waren gemaakt van savoyaans (uit Zuidoost Frankrijk) eikenhout. De burgemeesters stoel is aan de boven- zijde voorzien van het stadswapen in de vorm van een prachtig gebeeldhouwd opzetstuk met een afbeelding van Sint Clemens met de bisschopsstaf en een bekroond schild met daarop het Steenwijker anker. Dit is gemaakt door Hendrik Middelwijk, beeldhouwer en hout-snijder bij de meubelmakerij van Monsieur. De raadszetels maakten deel uit van het nieuwe interieur van Rams Woerthe, dat op 28 maart 1919 officieel als gemeentehuis in gebruik was genomen. Tot aan de gemeentelijke herindeling van Noordwest-Overijssel in 1973, waarbij Steenwijkerwold en Steenwijk werden samengevoegd, bleef het meubilair in gebruik. In de nieuwe gemeente Steenwijk paste het oude Steenwijker stadswapen niet meer. De burgemeestersstoel en de andere stoelen werden vervangen en voorlopig opgeslagen op de stadswerf. Later zijn ze op mysterieuze wijze ver- kocht en kwamen ze in bezit van een antiekhandelaar, die de 'gewone' stoelen weer doorverkocht, maar de fraaie burgemeesterszetel zelf behield. In 2003 kreeg de gemeente Steenwijkerland de mogelijkheid de stoel weer te verwerven. Na een grondige restauratie is het nu weer een pronkstuk in het gebouw waar hij vele jaren werd gebruikt: de stijlkamer van Rams Woerthe.

Gedicht van Dirk Ram

Gedicht te vinden van de omroeper Dirk de Ram over de volmacht Clarenberg, die zijn gelag en boeten niet had betaald. Hieronder een transscriptie van het gedicht. 'Dees boetten die hier onder staan                     Ik drink voor hem een glas of vier Moet gij niet om na huijs toe gaen                      Een ander seeven nae de zwier                                  Zonder te zeggen goede nagt                               Wij hebbent al daer opgezet En zelfs te hebben overdagt                                 De man is ziek hij moet nae bet Een burgemeester van de raad                            En mede lid der magistraad                                 Deeze aan Clarenberg geintineert Gaad zonder spreken van 't stadhuijs                Zijn vrouw gesproken en worde verveert Sluijp stanten na zijn eijgen huijs                        Hij lag te bed zijn hooft deed zeer Niet eens betaald zijn eijgen schuld                   Zijn vrouw ging wegh en sprak niet meer Ses stuijvers hebben wij geduld                          Het spijt mijn van die goede man                       Dit zeg en luijg ik als ik daer kwam           Dat hij niet meerder drinken kan                        Dat dit de waerheijt is Dirk de Ram'                                                            

Herinneringspennining

geslagen 12 april 1945

Ter gelegenheid van de Bevrijding werd in  mei 1945 een 250-tal penningen geslagen, waarvan de meeste zinken penningen door  de Canadese militairen als herinnering werden meegenomen naar Canada.

Heilige Sint Adelbertus

In de Grote Kerk staat een 74 cm hoog eikenhouten beeldje van de heilige Sint Adelbertus. Ooit, in 1570, werd dit beeld door pastoor J. Roberink uit Steenwijk geschonken aan de eerste aartsbis-schop van Utrecht, Frederik Schenck van Toutenburg. Dat gebeurde dus in de tijd dat nog de nawe-eën gevoeld werden van de Beeldenstorm. Mogelijk heeft pastoor Roberink door deze schenking het beeldje voor vernieling willen behoeden. Het is voor onbepaalde tijd in bruikleen afgestaan door het Rijksmuseum Het Catharijne Convent in Utrecht. De maker van het beeld is onbekend, maar wie was deze Adelbertus? Adelbertus was een uit Northumberland (Engeland) afkomstige diaken. Sinds 1981 bevindt zich in het zuidkoor. Die samen met Willibrord, in 690 vanuit Ierland het Kanaal zou zijn overgestoken om in onze streken te prediken en wonderen te verrichten. Hij zou een zeer nederig persoon zijn geweest. Na zijn dood op 25 juni 740 werd hij door de dorpelingen van Egmond begraven en werd er boven zijn graf een kapelletje gebouwd. Na zijn dood gebeurden er vele wonderen, zodat er veel pelgrims naar zijn graf kwamen. Nog altijd wordt het gebeen te van Adelbertus, de schutspatroon van Egmond, vereerd in de kapel van het benedictijner klooster in Egmond-Binnen. Daar, onder het altaar, ligt sinds 1984 de zorgvuldig uit minuscule brok stukjes gereconstrueerde schedel van Adelbertus. Deze schedel, waarvan de exacte ouderdom is vastge-steld, werd toen op feestelijke wijze overgebracht van de Adelbertusakker naar de abdijkerk. Adelbertus wordt in andere bronnen meestal afgebeeld als aartsdiaken met een geopend boek en een lelie in zijn hand. Omdat hij van koninklijke afkomst zou zijn, ziet men soms aan zijn voeten een kroon en een scepter.

Afscheids brief Joodje 1939

Dit ontroerende gedicht is in 1939 geschreven door een joods meisje bij haar afscheid van Fredes-hiem. Een groep van 39 uit Duitsland afkomstige joodse kinderen tussen de ca. 6 en 18 jaar verble-ven tussen maart en juli 1939 in het doopsgezinde broederschapshuis. Dankzij de heer Hoekema uit Haarlem weten we dat het gedicht waarschijnlijk is geschreven door Ursula Pintus. De ouders van de kinderen waren of al overleden of in Duitsland achtergebleven. De kinderen maakten deel uit van de stroom joodse vluchtelingen die, nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen, Duitsland ontvluchtten. In het gastenboek van Fredeshiem staan de namen van deze kinderen. Van slechts een paar kinderen is bekend wat daarna met ze is gebeurd. Van een aantal weten we dat ze, door emigratie of door onder te duiken, de oorlog hebben weten te overleven. Enkele kinderen zijn uiteindelijk weer naar hun ouders in Duitsland teruggegaan. Het gedicht heeft nog jaren in het kerkje bij Fredeshiem gehangen en is nu opgenomen in het archief van Fredeshiem.

In tijden van cholera

Het voorkomen en bestrijden van epidemieën, zoals de Mexicaanse griep, is al eeuwen een over- heidstaak. In de 19e eeuw had de overheid bijvoorbeeld haar handen vol aan het bestrijden van besmettelijke ziektes als pokken, tyfus en tuberculose, die zich razendsnel konden verspreiden in de steeds dichter bevolkt rakende steden. Tot de jaren dertig van de negentiende eeuw was Neder-land gevrijwaard gebleven van de cholera, een zeer besmettelijke darmziekte. Men besefte dat het slechts een kwestie van tijd zou zijn voor ook Nederland ten prooi zou vallen aan de cholera, die ook wel 'Aziatische braakloop' genoemd werd. In 1831 besloot het kabinet daarom als voorzorgs-maatregel alle gemeenten een informatieboekje over cholera te sturen en richtlijnen op te stellen, zodat men zou weten wat te doen als de cholera ook Nederland zou bereiken. In het archief van Kuinre bevinden zich nog enkele van deze boekjes, zie onderstaande afbeelding. In de boekjes staan tips die wij nog steeds zouden onderschrijven: was je handen, lucht de ziekenkamers, trek  schone kleding aan en doe aan lichaamsbeweging.  Andere adviezen zijn nu niet meer zo serieus te nemen: bezoek geen zieken zonder ontbeten te hebben,ontbijt eventueel met sterke drank en verander vooral niet van gewoontes!

Kanonskogels

Bij binnenkomst in het Stadsmuseum wordt meteen de aandacht getrokken door enkele loodzware ka- nonskogels die langs de linkerplint liggen uitgestald. De meeste hiervan zijn in het recente verle-den in de stadswallen aangetroffen; waar precies en op welke plaats is niet altijd bekend. Wel is be-kend dat ze van buitenaf op de stad zijn afgevuurd, hetzij Georges de Lalaing, beter bekend als de graaf van Rennenberg, in 1581-1582 Of tijdens het beleg en de verovering van Steenwijk in 1592 door prins Maurits en de Friese stadhouder Willem Lodewijk. Deze kogels werden afgevuurd door kanonnen waarvan er vele soorten bestonden. Men onderscheide vier hoofdtypen: het veldge-schut, het valkonet, de hele en de halve kartouw. De laatste twee werden ook wel kanon genoemd. De kanonskogels waren zware gietijzeren ballen in verschillende soorten en maten, waarvan er al-leen al gedurende het beleg van Steenwijk in 1592 ongeveer 29.000 zijn afgevuurd. De zwaarste in het Stadsmuseum aanwezige kogels wegen maar liefst 17V2 kilogram! Bij een gevecht op korte af-stand vulde men de kanonlopen meestal met musketkogels of gemalen schroot. Zo nu en dan maakte men de kogel gloeiend heet om het doel in brand te kunnen schieten. Zowel in 1581-1582 als in 1592 is dit ook bij de belegering van Steenwijk gebeurd. Bij het laden van het kanon bracht men in zulke gevallen een graszode aan tussen de afvuurlading en de gloeiende kogel om voortijdig afvuren te voorkomen. Bij een belegering werden de kanonnen op opgeworpen verhogingen van aarde, 'katten' genaamd, geplaatst. Een kanon werd bediend door twee konstabels of twee kanon-niers die daarvoor een klein examen hadden afgelegd. Er was namelijk 'buskruit' en het was daar-om noodzakelijk om enige kennis te hebben van de scheikundige samenstelling er van. Uiteraard moest men vooral vaardig zijn in het richten, laden en vuren!

Keurboek van 1579

Aan het eind van de zestiende eeuw was het recht- systeem in Steenwijk een rommeltje. De burgers klaagden steen en been over willekeur van de  schepenen bij het rechtspreken en ook de bestuur- ders zelf waren ontevreden. Wetgeving en rechtspraak waren in die tijd veelal een lokale zaak, waardoor de kwaliteit nogal eens te wensen over liet. Zo ook dus in Steenwijk. De ontevredenheid stamde waarschijnlijk al van voor 1544. In dat jaar begon Mr. Henricus Boeghel namelijk aan een nieuw stadsboek. Hij werkte er jaren aan, maar zou het nooit afronden. In 1557 werd hij, waar-schijnlijk op staande voet, ontslagen. Daarna kwam het werk aan de Steenwijkse regelgeving jaren-lang stil te liggen. Elders in de rubriek 'Schatten van het archief' kunt u meer informatie vinden over het stadsboek van Boeghel. Nieuw wetboek In 1576 besloot het stadsbestuur dat het nu toch echt hoog tijd werd voor een nieuw wetboek. Mr. Zigher ter Stege kreeg de opdracht om een nieuw keurboek op te stellen. Ter Steghe was geboren in 1535 als zoon van Gheert ter Stege, de burgemeester van Steenwijk. In 1557 werd hij benoemd als stadsecretaris, als opvolger van Henricus Boeghel. Dit ambt zou hij tot aan zijn dood in 1605 beoefenen. De tien jaar dat Steenwijk onder Spaans bestuur viel (1582-1592) bracht Ter Steghe door in Hasselt, waar hij hetzelfde werk deed. Na Steenwijks ontzet kwam hij te-rug. Ter Stege schreef een strafwetboek met 26 hoofdstukken. Het was de eerste keer dat de ver-schillende verordeningen ('keuren') per hoofdstuk geordend werden. Er werd per overtreding een keuze gegeven uit strafmaten al naar gelang de ernst van de overtreding. Dit moest de willekeur bij het rechtspreken tegengaan. Het keurboek van Ter Stege staat bekend als een voortreffelijk wet-boek voor zijn tijd, zie de afbeelding linksonder (klik op de afbeelding voor een groter formaat). Het werd ingevoerd in 1579. Ter Steghe was ook begonnen aan een burgerlijk wetboek, maar dat kon niet ingevoerd worden door de oorlog met Spanje. In 1609 is het wetboek in herziene vorm toch nog ingevoerd. Het keurboek van Ter Steghe bevindt zich in ons archief, maar er zijn ook ver-schillende uitgaven en publicaties van en over het boek.

Lakstempel Steenwijk

Zoals elke stad in Nederland kende ook Steenwijk stadszegels die in het verleden gebruikt werden om oorkonden, contracten en akten vanwege het stadsbestuur te legitimeren. Een zegel werd ge- maakt door boven de akte druppelsgewijs wat vaste zegel- lak te laten smelten en daarin tijdens de stolling het lakstempel te drukken. Het zegel van Steenwijk diende onder andere ter bekrachtiging van door het stadsbestuur opgestel- de akten. De oudst bekende zegels van Steenwijk dateren uit 1417 en 1425, beide met een doorsnede van 43 mmo. Van veel oorkonden zijn de originelen verlo- ren gegaan. Toch weet men soms van de inhoud, omdat men gelukkig nog in het bezit is van het concept of een afschrift. Op die manier is ook de brief van bisschop Johan van Diest, waarin in 1327 de stadsrechten van Steenwijk nog eens werden bevestigd, bewaard gebleven. Vaak bevinden die concepten of afschriften zich in cartularia, waarin de oorkonden van een kerk of klooster werden gekopieerd dat is ook het geval met het voor Steenwijk zeer belangrijke 'Cartularium van het kapit-tel van de Sint Clemenskerk', dat in 1501 werd opgesteld door de kanunnik Herman ten Broecke. Steenwijk kende onder andere een grootzegel en een kleinzegel. We mogen ons gelukkig prijzen weer in het bezit te zijn van het originele lakstempel van het kleinzegel. Lang geleden verdween het hierbij afgebeelde lakstempel op mysterieuze wijze uit het gemeentehuis. Maar gelukkig bevindt het zich nu in het Stadsmuseum aan de Markt. Het stempel is gemaakt van hout met een koperen ring. Het lakzegel vertoont Sint Clemens als paus van Rome met een schild en een anker. In door-snede is het 35 mmo. We zien hier een banderolle, waarop de tekst: 'S(igilum) OPPIDI STEENWIC', het zegel van de stad Steenwijk. Na de Bataafse Revolutie in 1795 en bij de invoering in 1798 van de Staatsregeling, de voorloper van onze grondwet, kwam het gebruik van het lakzegel nog uiterst zel-den voor. Meer informatie over dit onderwerp vindt u in: Gevers, A. J. Het wapen van Steenwijk, te vinden in: Posterna, J. P. J. Tussen graaf en maire, Bijdragen tot de geschiedenis van Steenwijk en omstreken voornamelijk in de 16 e en 17e eeuw, Kampen, 1987, p. 70-89. 

Monsterrollen

Rond 1600 werd door Prins Maurits een hervorming doorgevoerd van het leger. Hij liet zijn mannen ook in rustiger perioden oefenen zonder echt te vechten, zodat automatismen ontstonden en de manschappen geen tijd hadden om op rooftocht te gaan. Deze oefensessies werden door de bevol-king met verbazing bekeken, maar men vond het ook vermakelijk. Uiteindelijk wierp al dat oefenen wel zijn vruchten af. In die tijd bestond het leger uit huurlingen. Monsterrollen zijn lijsten met de namen van soldaten die dienst namen of aanmonsterden in dit zoge- heten Staatse Leger. Naast deze soldaten zijn vaak ook een arts, geestelijke, schrijver, trompetter en tamboer in de administratie te vinden. Vaak kre- gen ze een contract voor een seizoen. Een seizoen begon in het voorjaar en eindigde in het najaar.  In de winter werd er over het algemeen niet gevochten. De weersomstandigheden lieten dat vaak niet toe. Ook in Steenwijk waren soldaten gelegerd. De Steenwijkse monsterrollen beginnen in 1644 en lo- pen door tot 1686. Voor mensen die zich bezighouden stamboomonderzoek  kunnen de rollen interessant zijn, aangezien soms de plaats van herkomst van de soldaat vermeld staat. Er komen bijvoorbeeld ook namen van soldaten uit Oost- Europa in voor. Omdat de monsterrollen voor één seizoen werden opgemaakt, komt het regelmatig voor dat de naam van een militair meerdere ma-len wordt vermeld. Ook voor de Monsterrollen geldt dat het aanbeveling verdient om verschillende schijfwijzen te proberen bij het onderzoek in deze bron.

Stadsboek 1544 Steenwijk

Een Stadboek gaat over wetten, rechtspraak en regelgeving. Iedere stad maakte haar eigen bepa- lingen, totdat landelijk geldend recht werd ingevoerd. Stadssecretaris Aan dit Stadboek is tussen 1544 en 1557 gewerkt door de stadssecretaris mr. Henricus Boeghel. In 1557 werd Boeghel (waarschijnlijk) op staande voet ontslagen en opgevolgd door mr. Zicher ter Steghe die pas in 1576 een geheel nieuw Stadboek ging schrijven. Opnieuw begonnen Toen Henricus Boeghel met zijn klus begon, waren de oude Steenwijker stadsregels volgens de Magi- straat (het stadsbestuur) niet meer toereikend voor de moderne 16e eeuwse bevolking. Een andere le- zing is dat het hele stadsarchief in 1523 bij een inval van de Geldersen in vlammen is opgegaan. Hoe dan ook: Boeghel is in 1544 helemaal opnieuw begonnen Tekeningen  Boeghel had een handschrift, waar we nu nog steeds van kunnen genieten. Prachtige, in gotische stijl getekende hoofden, voorzien van de mooiste beginletters. Tussen die prachtige letters staan tekeningen. Zijn het spotprentjes? Zelfportretten? Zat Boeghel zich te vervelen tijdens de vergade- ringen? Of heeft zijn opvolger Zicher ter Steghe huisgehouden in het Stadboek?

Stadsrechten

Het oudste stuk in het gemeentearchief van Steenwijkerland is een charter van meer dan 650 jaar oud dat Vollenhove stadsrecht geeft. Het stadsrecht is in 1354 door de bisschop van Utrecht, Jan van Arkel, aan Vollenhove gegund. Stadsrecht In de Middeleeuwen was het voor gebieden met veel handel en nijverheid noodzakelijk een eigen recht- spraak te hebben. Dit was nodig omdat men niet uit de voeten kon met de rechtspraak van het platteland. Na de 80-jarige oorlog (1568-1648) kwam met de stichting van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een einde aan de behoefte een apart lokaal stadsrechtsysteem te hebben. Drie steden Drie echte steden heeft de gemeente Steenwijkerland binnen haar grenzen. De oudste is Steenwijk, Vollen- hove de middelste, Blokzijl het nakomertje. Blokzijl Blokzijl is wat betreft het verkrijgen van het stadsrecht een vreemde en unieke eend in de bijt. In het rampjaar 1672 kende stadhouder Willem III Blokzijl als enige plaats in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het stadsrecht toe. Blokzijl verdiende het. De Blokzijligers hadden samen met de Friezen de bisschop van Münster, Bernhard van Galen (alias Bommen Berend), en z'n troepen verjaagd. Jammer genoeg waren de privileges van korte duur.

Steenwijker Almanak

We zien hier drie verschillende uitvoeringen van de bekende Steenwijker Almanak. De almanak was één van de oudste middelen om de mens een beetje houvast te geven in de dagelijkse gang van zaken en in de jaarlijkse cyclus van ebeurtenissen in het leven op het platteland. Het was een boek-je met een kalender van dagen, weken en maanden, aangevuld met diverse gegevens zoals de stand van zon en maan, de feest-, gedenk- en marktdagen, tijden van eb en vloed, soms ook weers-voorspellingen en astrologische gegevens. Het woord 'almanak' werd voor het eerst in 1266 door Roger Bacon gebruikt in zijn verhandeling Opus Maius. Het komt van het Arabische woord 'al manakh', waarmee het klimaat of de seizoenen worden bedoeld. De eerste gedrukte almanakken, goedkoper dan de geschreven exemplaren en dus voor een groter pu- bliek bereikbaar, verschenen in 1460. De eerste Ne- derlandse almanak was de chaapherderskalender die in 1494 werd uitge-bracht. De nog steeds uitgegeven Enkhuizer Almanak kwam voor het eerst in 1632 op de markt. In 1664 begon Obbe Spanjaard met het uitgeven van de Nieuwe Cronijk, de Steenwijker almanak. Hoe dit boekje er precies heeft uitgezien is niet bekend. Mogelijk heeft er op de voorzijde al een afbeel-ding gestaan van de stad Steenwijk. Op de laatste ons bekende Steenwijker Almanak uit 1938 staat dat het de 273ste jaargang is. Het uiterlijk is in de loop der jaren wel enigszins gewijzigd, zowel wat kleur als wat formaat betreft. In 1768 spreekt men van de Steenwijcker Schrijf- Almanach van Obbe Spanjaard, boekdrukker, met een privilege voor vijftien jaar. Het is een ingenaaid boekje van 13 bij 8 centimeter, met na elke hal-ve maand één of twee blanco pagina's. Hierop konden dan allerlei aantekeningen worden gemaakt. Het schutblad was bedrukt met een rechthoekige afbeel-ding var de stad Steenwijk, maar nog zon-der molens aan beide zijden; het omslag was onbedrukt. Het was een maandkalender met weers- voorspellingen, vakanties in Steenwijk en in de provincie Overijssel. We lezen onder meer: De beslo- ten tijd van de Jagt 31 Januari tot den  17 September gedurende welke tijd de honden ten platten  lande moeten gaan met bungels. Even  verder lezen we: Volle maen dingsdag den 2/3 ten 9 uren 51 min in de Leeuw / met donker weer. Hout en turf zal nog goede waar wesen / hij is gelukkig die er nog wel van voorzien is. En tenslotte: De Vacantie van den Bouw zal nu Jaarlijks beginnen op den 23 July en eindigen den 12 Septem. Beide incluis. Rond het jaar 1800 is er de Nieuwe Steenwijcker Schrijf-Calender / comptoir Almanach, eveneens uitgegeven door Obbe Spanjaard, boekdrukker aan de  Markt te Steenwijk. Deze heeft, met een af- beelding van de stad in een geschulpt kader, een formaat van 15,5 bij 10 centimeter. Deze almanak kende na elke bedrukte pagina een blanco bladzijde voor aanteke-ningen. Vanaf 1801 bevatte de Almanak ook Chronyxken, een overzicht van geschkundige feiten beginnend met het jaar 1791. Verder vermeldde hij onder meer de Order op het varen der Schepen  en Schuiten van van Steen-wijk en de Hoveniersalmanak. een overzicht voor het  zaa-ien en planten. Omstreeks 1850 drukte J. Spanjaard de 10 bij 9 centimeter grote  Steenwijker  Almanak, zo'n tien jaar later voortgezet door H. Spanjaard, beide boeklrukkers te Steenwijk. Het waren kleine vrijwel vierkante ingenaaide dunne boekjes zonder tekst op de voorpagina. Vanaf 1890 werd de voorpagina bedrukt met bijvoorbeeld de tekst: STEENWIJKER ALMANAK voor het jaar 1890. Ook werd het jaargangnummer op de voorzij-de vermeld evenals de naam van de drukker. Deze uitvoering bleef tot omstreeks 1920 te koop. In 1899 nam R.H. Bijkerk de boekdrukkerij en binderij over van Spanjaard. Hij ging in het vervolg de Steenwijker Almanakken drukken in een pand in de Weemstraat. In de loop der jaren kwamen er steeds meer kleine verhaaltjes en vooral ook mopjes in voor. In de almanak van 1923 lezen we: Meester op school zegt tegen de kinderen: "Schrijven jullie allemaal een spreekwoord op de lei". De kinderen schrij-ven nu het een na het ander een spreekwoord op, behalve de kleine Wim die, goed kunnende tekenen, meesters portret zit na te tekenen in de hoek van de lei. De meester komt nu de verschillende spreekwoorden lezen, komt ook bij Wim en zegt: "Wim, heb jij geen spreekwoord opgeschreven?". Wim antwoordt: "Ja meester". Meester vraagt: "Waar staat het dan Wim?". Zegt Wim, op het portret wijzend: "Hier, meester. Een ongeluk zit in een klein hoekje". Later werd het formaat van de Almanak wat groter en werden de omslagen ook in kleur uitge-bracht. De voorzijde werd bedrukt met een afbeelding van een open stadsgezicht zonder wallen en grachten. De ge-schulpte kopergravure laat twee kerken zien met enkele wandelaars en een tweetal molens. De Steenwijker Almanak van 1923 had een formaat van 13,5 bij 10,5 centimeter. Ook be-vatte de almanak steeds vaker reclameadvertenties, terwijl de weersvoorspellingen verdwenen. Verder treffen we een overzicht aan van vreemde munten, vlaktematen, inhouds-maten (bijvoor-beeld: 1 schepel = 10 liter), gewichten (bijvoorbeeld: 1 centenaar = 100 kilogram), nationale kente- kenplaten voor automobilisten, posttarieven en meer van dergelijke gegevens. Wist u trouwens dat alle autokentekens in Overijssel met de letter E begonnen? Aan het begin van de twintigste eeuw verscheen er, naast de Steenwijker Almanak, het Jaarboekje voor Steenwijk. uitgegeven door G. Ho- vens Gréve in de Onnastraat. Na de Tweede Wereldoorlog nam dit jaarboekje de functie van de Steenwijker Almanak over. Het verschijnt tot op heden, zij het na de gemeentelijke herindeling in 1973, onder de naam Kijk op Steenwijk. Na het samengaan van de drie gemeenten in de 'Kop' van Overijssel is het onder de titel Kijk op de Kop als gemeentegids voor Steenwijkerland voortgezet.