Beleg van Steenwijk

Johan van den Kornput en het beleg en intzet van Steenwijk in 1580-1581

 Als men iemand vraagt: "Wat weet je van het beleg van Steenwijk?" dan herinnert men zich vaag een verhaal over een soldaat die in  zijn mond ge- schoten werd, maar wanneer en bij welke gelegenheid dat gebeurde, daar- op blijft men meestal het antwoord schuldig. De  jongens die in het recente verleden Steenwijk als hun garnizoensplaats kregen toegewezen, zullen misschien wat meer van Steenwijk's  historie hebben vernomen: zij kwamen immers te "liggen" in de Johan van den Kornputkazerne! Johan van den Korn- put is voor zeer velen de trots van Steenwijk: veel heeft hij voor Steenwijk gedaan.

Krijgsrumoer 

In 1568 was ons land in oorlog geraakt met Spanje, een oorlog die tachtig jaar zou gaan duren. De Spaanse koning Filips II (1555- 1598)

regeerde over een wereldrijk, waartoe ook ons land behoorde en hij wilde dat in zijn rijk alle mensen de rooms-katholieke  godsdienst moesten

hebben. En dat was nu juist niet het geval. Omdat Filips II bang was dat zijn rijk uiteen zou vallen liet hij daarom de  protestanten streng

vervolgen. Toen er eigenlijk al in 1566 een opstand uitbrak, de Beeldenstorm, stuurde de koning Ferdinand Alvares  van Toledo, de hertog van

Alva (1507 - 1582) Naar ons land om niet alleen de leiders van de opstand, een aantal vooraanstaande  hoge edelen die zitting hadden in de

Raad van State, maar ook het volk daarvoor te straffen. Onder leiding van Prins Willem van Oranje (1533-1584) probeerde men de Spanjaarden

weer te verdrijven. Vooral in West-Nederland  had men enig succes. Omdat er voortdurend strijd werd geleverd in West- en Zuid-Nederland

stuurde Alva zijn troe-pen uit de  noordelijke gewesten daar naar toe. De katholieken in het Noorden hielpen ook niet meer zo hard mee om de

Spanjaarden te verja-gen, omdat zij nu bang waren door de  protestanten overheerst te worden. Nog altijd was de katholieke George van

Lalaing, de graaf van Ren-nenberg (15401581), de  stadhouder (militaire bevelhebber namens de koning en diens plaatsvervanger in een of

meerdere gewesten) van Groningen, Friesland,  Drenthe en Overijssel. Op dat moment was hij nog een goede vriend van Prins Willem van

Oranje. Maar toen de opvolger van Alva,  Alexander van Farnese, de hertog van Parma (1545-1592), Rennenberg beloofde dat hij stadhouder

mocht blijven en bovendien nogal  wat geld zou krijgen, koos hij onverwachts de zijde van de Spanjaarden en stelde hij zich aan het hoofd van

de katholieken in zijn  gewesten. Door dit "verraad" kwam het Noorden van ons land op 3 maart 1580 weer in Spaanse handen. Johan van den

Kornput (1542- 1611) was een Ne-derlandse legeraanvoerder, die in dienst ons land was. Ook hij wilde heel graag dat  de Spanjaarden ons land

verlieten. Vlak voor dat het Noor-den in Spaanse handen was gevallen, had hij nog kans gezien met zijn  vendel (een groep soldaten) de stad

Groningen te verlaten. Hij probeer-de of hij Coevorden nog kon helpen verdedigen, want de  Spanjaarden wilden zo snel mogelijk alle

belangrijke steden die in protestantse han-den waren, heroveren. Hij kwam echter bij  Coevorden te laat en daarom trok hij zeer snel naar

Steenwijk, de toegangspoort naar Fries-land, want deze stad wilden de Spanjaarden  graag in hun bezit hebben. Juist op tijd nog had Diederick

Sonoy (1529-1597), met een legertje uit het Noorderkwartier van Holland, waar hij namens de Prins van  Oranje luitenant-gouverneur was, zich in

Blokzijl verschanst om zo nodig van daaruit Steenwijk hulp te kunnen bieden door  bijvoorbeeld het riviertje de Aa, de scheepvaart verbinding

tussen Steenwijk en de Zuiderzee te blokkeren, waardoor de aanvoer van  voor de Spanjaarden belangrijke oorlogsgoederen sterk bemoeilijkt

werd.

Steenwijk wordt belegerd In de zomer van 1580 trok Van den Kornput in de richting van Steenwijk, achtervolgd door de Spaanse troepen. Hij wist ternauwernood  aan die achtervolging te ontkomen en bracht zijn manschappen in de buurt van Steenwijk onder dak. Hijzelf vertrok naar Kampen om  met de Landsregering (de Staten-Generaal) te overleggen op welke manier hij het beste kon helpen.Op 17 oktober 1580 keerde hij naar  Steenwijk terug met de opdracht de stad binnen te gaan en haar tot het uiterste te verdedigen. De Steenwijker's zelf waren echter  helemaal niet zo blij met de komst van Johan van den Kornput; ze weigerden zelfs om de troepen binnen te laten. Was men bang dat  men de soldaten niet kon betalen, was men bang voor dat vreemde krijgsvolk of was men bang dat er nogal veel Spaansgezinde  Steenwijkers waren ? In ieder geval lukte het Van den Kornput slechts met heel veel moeite om de stad binnen te komen. Nu was het  met de vesting Steenwijk niet zo best gesteld: sinds een groot aantal jaren was er, omdat dat te duur was, nauwelijks iets aan het  onderhoud van de wallen en grachten gedaan. Aan de noord- en de westzijde van de stad stroomde het riviertje de Aa en in een soort  halve maan lag daar de stad tegen aan. Bij de Woldpoort legden de schepen aan, waarmee wapens, buskruit, voedsel en allerlei  andere goederen via Blokzijl werden aangevoerd. Rennenberg kwam echter niet meteen naar Steenwijk: hij probeerde na Coevorden  en de overwinning op 17 juni 1580 op Filips van Hohenlohe (1550-1606) eerst nog Zwolle, Doetinchem en Groenlo te veroveren. Toen  hij daarbij weinig succes had, trok hij via Ommen naar Steenwijk.In juni 1580 was de hopman (kapitein) Olthof door de Landsregering  alvast naar Steenwijk gestuurd om zich daar bezig te gaan houden met het herstellen en in staat van verdediging brengen van de  vestingwerken. De houten borstweringen op de wallen werden vernieuwd, de grachten werden schoongemaakt en uitgediept en de  wallen hersteld. De Steenwijker's vonden dit allemaal maar overbodig en daarom liet Olthof deze werkzaamheden uitvoeren door  boeren uit de omgeving. Die moesten er natuurlijk wel voor betaald worden. Bij Vollenhove lagen twee Staatsgezinde, voornamelijk uit  Duitsers bestaande vendels onder aanvoering van Johan Stuper. Een daarvan, geleid door luitenant Johan de Beerenbroeck, moest  zich naar Steenwijk begeven. Het vendel van Frans Plaet, dat zich eveneens in Vollenhove bevond, moest zich daarbij voegen. In een  vendel (compagnie) waren meestal zo'n 150 tot 250 soldaten. Een vendel werd meestal genoemd naar hun hopman. Zo sprak men van  het vendel van Plaet, het vendel Olthof en het vendel Van den Kornput. De katholieken die al deze werkzaamheden zagen vonden dit alles toch niet zo prettig, waarop velen de stad verlieten. Nu kon men zo'n vendel ook niet altijd vertrouwen: de soldaten vochten alleen als ze werden betaald. Op kermissen, markten en in  herbergen werden soldaten aangeworven. Iedereen die wilde vechten of de nodige avonturen wilde beleven, kon zich aanmelden.  Daardoor was zo'n vendel vaak een allegaartje van soldaten van vele verschillende nationaliteiten. Vaderlandsliefde op zich was er dus niet bij. De soldaten moesten ook zelf voor hun wapens zorgen. Er waren verschillende soorten  soldaten: de infanterie, die te voet gin-gen. Sommigen vochten met lansen en pieken en werden daarom ook wel piekeniers genoemd.  Musketiers vochten met musketten. Een musket was een zwaar geweer dat tijdens de gevechten op een stok rustte. Na elk schot was  het musket zo heet geworden dat de loop ervan eerst met natte schapenhuiden of lappen moest worden afgekoeld. Pas na enkele  minuten kon er dan weer een volgend schot gelost worden. De cavalerie was het paardenvolk: een snelle en beweeglijke groep ruiters  die menige veldslag besliste. Een nog veel groter probleem was echter, dat de Staten-Generaal geen bevelhebber over de vesting hadden aangesteld. Elke hopman  vocht op zijn eigen manier met zijn eigen manschappen. Er moest dus heel wat vergaderd worden voor men het er over eens was wat  er moest gaan gebeuren. Bovendien zag het stadsbestuur ook niet altijd het nut van allerlei maatregelen in en werkte het zelfs vaak  tegen als men tot een besluit moest komen. Gelukkig wist Johan van den Kornput ondanks alle tegenwerking een groot deel van zijn  voorstellen en maatregelen uit te voeren. Het is dan ook aan hem te danken dat Steenwijk het zo lang kon uithouden om de Spaanse  troepen buiten de wallen te houden. De Spanjaarden voor de poorten

Op 18 oktober 1580 verscheen de voorhoede van Rennenberg's leger voor de Woldpoort. Er werden zesduizend soldaten en  twaalfhonderd

ruiters ondergebracht in leger kampen rondom de stad. De eerste, soldaten hadden zich nog maar amper vertoond, of  de Steenwijker's deden

al een uitval om de huizen in de Westwijk en in de Oostwijk te vernielen, in brand te steken en de nog  aanwezige voorraden mee te nemen.

Men wilde daarmee de Spanjaarden niet de gelegenheid geven om zich te legeren in de huizen  buiten de poorten. De Steenwijker's hielden

zich die eerste nacht bezig met het zorgvuldig afsluiten van de stads poorten. De deuren  werden geblokkeerd en grote hoeveelheden zand en

stenen werden (aan de binnenkant) achter de deuren opgeworpen. De Spanjaarden, die in de Westwijk gelegerd waren, gingen al vrij snel over

tot het opwerpen van verschillende schansen. Dat  gebeurde onder andere bij "de Capelle", in Tuk en in Steenwijkerwold. Om deze schansen

gemakkelijk te kunnen bereiken, werd er  over de Aa een snort schipbrug gebouwd. Ook bij de Gasthuispoort en bij de Woldpoort werden

verschansingen aangelegd.  Rennenberg zelf kwam veel later. Hij zou zijn intrek gaan nemen in een huffs dicht bij de Gasthuispoort.Toen men

binnen de vesting  zag welk een groot leger er voor de poor-ten verscheen, gingen er al spoedig stemmen op om de stad maar meteen over te

geven.  Maar daar voelde Van den Kornput helemaal niets voor! De burgerij wilde dat hij de Landsregering om hulp zou vragen, maar ook dat 

weigerde hij.Toch werd er een brief geschreven, waarin men verklaarde dat het onmogelijk was om de stad Langer dan acht dagen te 

behouden, tenzij er hulp zou komen. In de nacht van 28 oktober 1580 werd deze brief door Matthijs Kiers dwars door de Spaanse  linies been

naar Kampen gebracht. De brief was mede-ondertekend door de hoplieden Plaet en Olthof. Van den Kornput was een  geheel andere mening

toegedaan en vond dat men het verzet niet te snel moest opgeven. Het stadsbestuur begreep inmiddels ook dat  het wel eens een langdurig

beleg zou worden en dat men zuinig moest zijn met de voedsel voorraden. Zo bepaalde men onder andere  op 28 oktober 1580 dat een pond

spek niet meer dan drie stuivers mocht kosten en een roggebrood van twaalf pond slechts zes  stuivers.De Spanjaarden gingen ook nogal eens

op plundertochten uit om aan het nodige voedsel te komen. Bovendien werden de  omringende plaatsen door hen bezet. Kuinre werd

geplunderd en gebrandschat: Lemmer en Staveren werden ingenomen.  Langzamerhand was het gehele gebied rond Steenwijk in Spaanse

handen gekomen. Toen de Spanjaarden na hun overwinning in Kuinre terugkwamen voor de stad, waren ze in een feestelijke stemming. Dit

beviel de  Steenwijker's niet en een aantal soldaten van hopman Olthof trok 's avonds naar de molen buiten de Oosterpoort en stak deze in

brand.  Die molen was een gevaar, want van daaraf kon men over de wal in de stad schieten. De Spaanse soldaten werden toen zo kwaad dat 

ze een enorm geweervuur op de wallen legden. Bovendien brachten ze een ton met teer en zwavel tegen de slagboom, het afsluithek  buiten

de Gasthuispoort, en staken deze in brand. Dat was natuurlijk enorm gevaarlijk, zo dicht bij de poort. Brand in de stad was wel  het laatste wat

men kon gebruiken. Daarom klom Aert van Groningen, een soldaat uit het vendel van Johan van den Kornput, langs de  stadspoort naar

beneden - de deuren konden niet open omdat ze immers met zand en stenen waren versperd - en wist onder een  regen van Spaanse kogels

met een leren emmer in de mond over de gracht te zwemmen en de brand te blussen.

Rennenberg komt kijken.

Eind oktober kwam eindelijk Rennenberg, vergezeld van een vendel ruiters, zelf kijken. Hij had van Parma, de Spaanse landvoogd (de  hoogste

vertegenwoordiger van de Spaanse koning in Nederland), de opdracht gekregen om de stad zo snel mogelijk in te nemen.  Reeds de volgende

morgen stuurde hij een trompetter naar de wal om de stad namens de Spaanse koning op te eisen. Iedereen zou  ongehinderd de stad mogen

verlaten. De Steenwijker's weigerden echter. Natuurlijk had Rennenberg daar wel op gerekend. Als het niet goedschiks ging dan maar

kwaadschiks, dus met geweld. Bij de  Onnapoort werden drie kartouwen (kanonnen) geplaatst en overal verschenen schansen. Bij de

Gasthuispoort werd een "kat", een  aarden wal, opgeworpen, waarop zeven schanskorven met daartussen kanonnen werden opgesteld. Zo kon

men vrij gemakkelijk over  de wal heen op de huizen in de stad schieten. De Steenwijker's gingen daarop de stads poorten nog meer versterken

door ze met zand en stenen op te vullen. Een nadeel was  echter, dat daardoor de schietgaten werden afgesloten. Omdat de poorten een stukje

buiten de wal uitstaken, kon men door deze  schietgaten de wallen goed beheersen. Daarom had Johan van den Kornput er ook het grootste

bezwaar tegen om die poorten op te  vullen. De vijand zou dan veel gemakkelijker bij de poort kunnen komen en deze kunnen ondermijnen.

Ook het over de wallen klimmen  werd eenvoudiger. Van den Kornput had het niet gemakkelijk. Hij werd herhaaldelijk tegengewerkt door

allerlei mensen die dachten dat  ze het beter wisten. De hoplieden gingen ieder op hun eigen houtje met hun eigen soldaten verschansingen

opwerpen op de  uitstekende punten van van de wallen, de rondelen, zonder dat er van veel overleg sprake was.Toen men bezig was met zo'n 

versterking bij de Woldpoort, kwam het stadsbestuur klagen dat men de tuin van de staatssecretaris, Mr. Zigher ter Steghe aan het 

beschadigen was. Persoonlijke belangen speelden daarbij vaak een grotere rol dan de algemene belangen. Wel werden overal op de  wallen

de houten borstweringen verstevigd of vernieuwd, zodat de verdedigers zich daar achter konden verschuilen. Op zondag 30 oktober 1580

kwam men er achter dat Rennenberg de stad door middel van een bestorming wilde innemen. De bier  brouw ketels uit de brouwerij in de

Brouwerstraat werden naar de wal  sleept en gevuld met water en kalk, opdat men de inhoud over  de vijand kon uitgieten. Ook maakte men

pekkransen, een snort fakkels, om die brandend op de vijand te kunnen gooien. Verder  werden dorsvlegels met spijkers erdoor klaargelegd,

spiezen gemaakt en overal massa's stenen opgestapeld. Die konden clan door  de vrouwen op de Spanjaarden worden gegooid. Alle

Steenwijker's, mannen, vrouwen en zelfs kinderen en de soldaten stonden klaar  op of bij de wal om de vijand te "verwelkomen".

Maar ... hij kwam niet.  

Op 10 november 1580 kwam er een zogenaamde troostbrief van de Prins van Oranje, waarin beloofd werd om de stad binnen tien  dagen te

ontzetten. Maar iedereen voelde wel aan dat dat niet zou gebeuren omdat er gewoon niet genoeg soldaten waren. Wei werd  er een legertje

vanuit Zwartsluis naar Sint Jansklooster gestuurd, maar de Spanjaarden vielen het klooster al snel aan en het Staatse  Leger moest met een

groot aantal doden en gewonden vluchten. De Spaanse troepen hadden bij deze gevechten nogal wat buskruit  veroverd en dat nu werd op de

achttiende november gebruikt om de Gasthuispoort te beschieten. In de stad verwachtte men weer een  aanval. Daarom werd in allerijl alles

weer voor de verdediging in gereedheid gebracht. Plotseling bleek echter dat er op verschillende  plaatsen in de stad brand was uitgebroken.

De Spanjaarden gebruikten namelijk gloeiende kogels. Deze methode was al eerder  toegepast door de Poolse koning Stefan Bathory (1575-

1586) bij het beleg van Danzig. Om beter te kunnen schieten had men eerst de  torens en de boven muren van de Gasthuispoort kapot

geschoten. Veel huizen waren toen nog met riet gedekt en bovendien lagen,  ondanks dat dat verboden was vanwege het brandgevaar, veel

zolders vol stro, turf en andere brandbare stoffen. De vlammen,  aangewakkerd door een stevige oostenwind, legden in een mum van tijd

ongeveer zeventig huizen in de as. Tevergeefs probeerde  men met allerlei middelen het vuur te doven. Ook bleef men op de wal present om

een eventuele aanval of te slaan. Door de grote hitte  waren velen echter gedwongen hun post te verlaten en ... als Rennenberg op dat moment

een aanval zou hebben uitgevoerd, had hij  ongetwijfeld de stad veroverd. Rennenberg had echter andere plannen: hij dacht dat de stad wel

zou zijn afgebrand en dat de  belegerden bereid zouden zijn zich over te geven. Daarom stuurde hij tegen de avond twee trompetters om

opnieuw de overgave te  eisen. Maar hopman Frans Plaet, die aan de poort de wacht had, stuurde hen onverrichter zake terug: geen over-gave!

De volgende  dag ( 19 november 1580) begon het opnieuw. Weer werd de stad bestookt met gloeiende kogels. Vooral de bij de Woldpoort

gelegen,  door een paard aangedreven rosmolen, die water uit de Aa omhoog bracht om het peil in de grachten te kunnen handhaven, daar ze 

anders droog kwamen te staan, had het zwaar te verduren. Maar nu waren de Steenwijker's beter voorbereid. In elke straat en in elk  gebouw

werd wacht gehouden. Als er ergens een gloeiende kogel insloeg, was men er zeer snel bij om met emmers water een  beginnende brand te

blussen. De kogel werd dan met een ijzeren tang vastgepakt en op straat gegooid. Bovendien had men nu zoveel  mogelijk de brandbare

materialen in de kelders gestopt. Toch was er nog heel veel voedsel en brandstof verloren gegaan. Het zou voor  de Steenwijker's nog heel

moeilijk worden

.

Onrust in de stad. 

De grote brand, ontstaan door de gloeiende kogels, had toch wel veel onrust in de stad veroorzaakt. Velen hadden de moed op een  goede

afloop reeds verloren. Het is dan ook wel te begrijpen dat men er steeds meer op aandrong om zich over te geven. Hopman  Plaet stelde voor

om alle bevelhebbers, hoge officieren en de voornaamste burgers bijeen te roepen om de netelige situatie te  bespreken. Johan van den

Kornput echter, was daar fel op tegen. Tenslotte kwam de groep toch bijeen en besloot men de stad niet  over te geven, zolang er geen gebrek

aan voedsel was. Toch vertrouwde Van den Kornput de zaak niet en daarom gaf hij zijn soldaten de opdracht om extra goed op te letters. De

volgende  morgen had zich op de Marks een groot aantal ontevreden burgers en een paar soldaten verzameld, die de overgave van de stad 

eisten. Weer was het Johan van den Kornput die, samen met Johan de Beerenbroeck, de menigte toesprak en gedaan kreeg dat zij  weer naar

huis of naar hun leger onderdeel teruggingen. Van den Korn-put sprak als volgt: "Pakt u naar huis, gij schelmen! Wat staat  gij hier te kakelen om

bij onze brave soldaten door uwe leugens den nood te verminderen! Zij verstaan hunne taken zelve wel, en  hebben uwe rand in het minst niet

nodig, pakt u terstond weg. Als Steenwijk door U overgegeven wordt, gaat de lont in het buskruit  door mij". Een dikke slager bleef echter staan

en zei: "Wat zal er tenslotte gebeuren als wij niets meer te eten hebben?" Van den  Kornput antwoordde: "Dat duurt nog lang en als het eenmaal

zover is, dan zullen wij jou en mensen van jouw snort het eerst opeten!"  Het waren vooral de burgers, gesteund door het stadsbestuur, die de

soldaten tot dit oproer aanzetten. Toch schreef Van den Kornput  een brief aan de Staten-Generaal, waarin hij meedeelde dat er zeker nog voor

drie maanden voedsel in de stad was en bij een strenge  rantsoenering wellicht nog wel langer. Desondanks drong hij er op aan dat er pogingen

in het werk gesteld zouden worden om de stad  te bevrijden. De Prins van Oranje en de Staten-Generaal vergaderden hierover in Delft. Men

wilde wel helpers, maar er was geen  krijgsvolk genoeg om de strijd aan te binders. Bovendien was er geen geld genoeg om nieuwe

huursoldaten aan te trekkers. Enkele  gewesten, waaronder Gelre en Overijssel, wilden niet bijdragen in de kosten van de landsverdediging. Zij

kozen liever voor hun eigen  belangen en ook sommige leden van de Krijgsraad vonden het jammer om zoveel geld te besteden aan zo'n kleine

stad. Toch was  Steenwijk uitermate belangrijk. Het beheerste de toegangspoort tot Friesland en Drenthe en daarmee ook tot het gehele

Noorden.  Bovendien had Rennenberg, als hij Steenwijk in zijn bezit had, de controle over heel Noordwest-Overijssel en daarmee toegang tot

de  Zuiderzee, hetgeen weer een bedreiging kon zijn voor het westen van het land. Na veel wikken en wegen werd uiteindelijk toch  besloten

om een poging tot ontzet te wagen. Ook Rennenberg had het nog steeds op de stad gemunt. Hij vertrok echter eerst naar  Groningen om te

proberen geld vrij te krijgen voor de slag om Steenwijk. Intussen ging de strijd voort. Regelmatig werden er vanuit de  stad uitvallen gedaan met

de bedoeling om de vijand zoveel mogelijk schade toe te brengen. Van een krijgsgevangene hoorde men dat  Rennenberg nit Groningen was

teruggekeerd met de mededeling om binnen acht dagen een maand soldij te betalen of anders het  beleg op te breken. Het beloofde geld

kwam echter niet, zodat de Spaanse soldaten steeds ontevredener werden. Rennenberg wist hen  echter met allerlei beloften te kalmeren.

Inmiddels was het weer veel slechter geworden. De eerste weken van het beleg, dus einde  oktober 1580, was het weer goed, maar in het laatst

van november kwamen er storm en regen. Toen ook nog de vorst inviel, die van  half december tot bijna aan het einde van het beleg aanhield,

was het harde levers in een tentenkamp dikwijls aanleiding tot de nodige  ontevredenheid en verzet in het Spaanse kamp.

Het einde nadert

De Landsregering kwam haar belofte na en begon met een leger uit te rusten om Steenwijk te bevrijden. John Norris, een Engelse 

legeraanvoerder, kreeg het bevel over de aanvankelijk nog geringe troep soldaten. In de avond van 15 december 1580 kwam hij via  Zwartsluis

aan in Giethoorn, waar de Spanjaarden spoedig werden verdreven. Giethoorn zelf werd voor het grootste gedeelte verwoest.  Kort daarop

vertrok Norris met 1800 soldaten en een aantal ruiters naar Meppel. Een bode bracht de berichten van de overwinning naar  Steenwijk. Geen

wonder dat men daar in Steenwijk erg blij om was. Vier dappere mannen, Harmen Hoedemaker, Cleys  Passementmaker, Goechien Uiterwyck

en Remmelt Rottgers, slopen op een nacht vanuit Steenwijk langs de Spaanse troepen naar  Meppel om Norris in te lichten over de toestand in

Steenwijk. Op de terugweg brachten zij 40 soldaten en nog 750 pond buskruit mee,  wat natuurlijk een welkome aanvulling was voor de

verdediging. Op 23 december 1580 werd Onna door de soldaten van Norris aangevallen. Daar bevond zich een groot gedeelte van de ruiterij

van  Rennenberg. In de strijd werd het grootste deel van Onna vernield en de Spanjaarden vluchtten naar de Westwijk. De druk op  Rennenberg

en zijn soldaten werd nu steeds groter, maar Steenwijk was nog lang niet bevrijd. Daar de Steenwijker's meenden dat de bevrijding nu wel

spoedig aanstaande was stormden zij met talrijke horden naar de zich buiten  de stad bevindende vijandelijke wachtposten. Daarbij werden de

voorste verschansingen ingenomen, maar toen Spaanse ruiters  naderden moesten zij zich weer terugtrekken. Hopman Plaet, die zich

roekeloos onder het vuur van de vijand waagde, werd daarbij  dodelijk getroffen door een kogel. Zijn lichaam werd later door zijn soldaten naar

de stad gedragen en begraven in de Onze Lieve  Vrouwekerk. De gidsen die de 40 soldaten weer naar Meppel hadden gebracht, kregen 1600

gulden mee om de achterstallige soldij in de stad uit te  betalen. Opnieuw ontstond er een ernstig meningsverschil tussen de hoplieden en het

stadsbestuur. De laatste had aan het geld de  dubbele waarde toegekend door in de muntstukken het Steenwijker stadswapen (het anker) te

slaan. Dat betekende dat de soldaten  dus nog maar de helft van hun soldij kregen. Daar was men uiteraard zeer boos over, maar de hoplieden

hadden ter wille van het  algemeen belang genoegen genomen met deze maatregel. Maar toen ook de eerder genoemde 1600 gulden aan dat

stempelrecht zou  worden onderworpen, brak de ontevredenheid opnieuw uit. Johan van den Kornput schreef nogmaals een brief, waarin hij

meedeelde  dat men vanaf het begin er op had aangedrongen om nieuwe munten te slaan. Het stadsbestuur had dat echter steeds geweigerd.

Het  gevolg was dat er veel levensmiddelen verstopt werden en dat men zoveel mogelijk opgeklopt geld (dus zonder ankertje) wilde  verkopen,

zodat de prijzen enorm stegen. Juist de burgers en de soldaten hadden hier groot nadeel van: de rijke burgers merkten daar  veel minder van.

Inmiddels ging de strijd met allerlei schermutselingen gewoon door. Dan weer deden de Steenwijker's een uitval, dan  weer beschoten de

Spanjaarden de stad. In januari 1581 werd enkele keren een onderzoek gedaan naar de hoeveelheid voedsel die  nog in de stad aanwezig was.

Hoewel er heel veel verstopt was, bleek er toch nog wel voor twee weken eten te zijn. Bovendien waren  er nog 350 koeien en paarden. Op 18

januari 1581 bond men opnieuw de strijd met de vijand aan. Norris trok nu met ruim 2000  soldaten naar Steenwijkerwold, waar hij de vijande-

lijke ruiterij wist uit te schakelen. De Steenwijker's snelden te hulp, maar Rennenberg  zag kans de aanval of te slaan en eiste de volgende dag

opnieuw de stad op. Dit zou dan de laatste keer zijn dat bij vrijwillige overgave  genade getoond zou worden. Mocht het tot een bestorming

komen, dan zou de de stad volledig worden geplunderd. Maar ook nu gaf  Steenwijk niet toe.Op 4 februari 1581 werden in de stad drie patrijzen

gevangen. Johan van den Kornput greep deze gebeurtenis aan  door de zeggen dat dit een snort Godsgeschenk was en dat het beleg

hoogstens nog drie weken zou duren.

De bevrijding

Johan van den Kornput had het goed gezien, want enkele dagen later zag men vanaf de toren van de Grote Kerk het

leger van Norris  achter de heuvels van Steenwijkerwold opdagen. Zijn krijgsmacht was nu gegroeid tot 3500 soldaten

en zes afdelingen ruiterij. Zij  legerden zich aan de voet van de Hiddingerberg (=Woldberg) in een veld dat aan drie

zijden was afgesloten door een aarden wal.  Rennenberg begon meteen deze legerplaats te beschieten en rukte de

volgende morgen met een groot deel van zijn legermacht op om  de vijand te verslaan. Toen de Steenwijker's dit

merkten deden zij een uitval en zagen zij kans om het oostelijke kamp van Rennenberg  te veroveren. Voortdurend

probeerde Rennenberg de troepen van Norris te overmeesteren, maar steeds zonder resultaat. Wel werd in  de nacht

van 9 op 10 februari 1581 een groot deel van Rennenberg's ruiterij uitgeschakeld, maar tot een beslissende slag kwam

het  niet. Het duurde voor de Steenwijker's toch wel Lang, want er kwam nu wel degelijk gebrek aan voedsel. Op 20

februari 1581 kwamen er wel  tweehonderd mensen op het raadhuis om voor hun gezin om brood te vragen. Er werden

bodes uitgezonden om de slechte toestand  aan Norris te melden en hem aan te manen nu eens op te schieten. De

bodes kwamen terug met een groot aantal soldaten die  vierhonderd broden, honderdvijftig zoetemelkse kazen en

een grote hoeveelheid buskruit bij zich hadden. Intussen was het weer  omgeslagen. De strenge vorst was verdwenen en een zachte regen

deed de sneeuw en het ijs smelten. De laag gelegen drassige  landen aan de noordzijde van de stad waren daardoor voor de ruiterij

onbegaanbaar geworden. Toen de Steenwijker's bovendien ook  nog een dam in de Aa legden kwam een groot deel van dat land onder water

te staan. Herhaalde malen kwam het tot schermutselingen, maar die hadden weinig resultaat. Wel werden er regelmatig buskruit en voedsel

naar  de stad gebracht. De soldaten van Rennenberg kregen steeds minder zin om te vechten en het kostte Rennenberg dan ook grote  moeite

om nieuwe aanvallen te laten uitvoeren. Tenslotte zag ook hij het nutteloze van de zaak in en nam hij het besluit om het beleg  op te breken. In

alle stilte lies hij het geschut, paarden en manschappen in de nacht van 23 februari 1581 verzamelen en vertrok. Bij het aanbreken van de

volgende dag zagen zowel de Steenwijker's als de soldaten van Norris een volkomen verlaten Spaans  legerkamp. Allen wat van waarde was

werd door de Steenwijker's meegenomen. Wat er over bleef werd in brand gestoken. Een grote  vreugde heerste er in de stad. Iedereen was blij

dat men toch had standgehouden en dat de stad vrij bleef van een Spaanse bezetting.  Toch maakte de bevrijding van Steenwijk weinig indruk

op de Landsregering. Met heel veel moeite kon men een deel van de  achterstallige soldij uitbetalen. Wel kreeg de stad een schadevergoeding

van zo'n 7000 gulden, maar dat was bij Lange na niet genoeg  om de zwaar getroffen vesting er weer bovenop te helpen. Als extra werd

toegezegd dat men voor een aantal jaren vrijstelling van  bepaalde belastingen kreeg. Bovendien werd de weekmarkt van Oldemarkt

opgeheven, zodat de mensen uit de omgeving naar  Steenwijk moesten komen om op de Steenwijker markt hun inkopen te doen. Dit zou er

toe moeten bijdragen dat de Steenwijker  bevolking er weer wat sneller bovenop kwam En Johan van den Kornput? Ongetwijfeld is het aan zijn

optreden te danken geweest dat  de stad voor de Prins van Oranje behouden kon blijven. Maar de Landsregering bond hem geen geschenk,

zelfs geen onderscheiding  aan voor zijn dappere optreden. Het kostte hem zelfs de grootste moeite om geld los te krijgen voor het uitbetalen

van de soldij voor de  soldaten niet zijn eigen vendel.

Alle verzet toch vergeefs.

De blijdschap over het gelukkig goed doorstane beleg sloeg weldra om in bittere droefheid. Waren er in de stad tijdens het beleg al ruim  700

mensen gedood, er kwamen er nog vele honderden bij. Rondom de stad lagen immers de lichamen van de gedode mensen en  dieren. Het

gevolg was dat er een vreselijke pestepidemie uitbrak. Daardoor stierven er nog vele honderden die met zoveel goed het  beleg hadden

overleefd. Al met al verloren ruim 2300 Steenwijkers het Leven van de totaal 2500 die de stad aanvankelijk telde... Door het beleg was Steenwijk

uiteraard enorm beschadigd. Zo waren de torens van zowel de Woldpoort als de Gasthuispoort volledig  weggeschoten. Ze werden niet meer

opgebouwd, maar vervangen door een schuine kap. Johan van den Kornput hield zich nog  geruime tijd, samen met de andere binnen

Steenwijk verblijvende hoplieden, bezig met het aanbrengen van verbeteringen van de  vesting, zoals het voltooien van de palissadering van de

wallen, het kappen van bomen en het aanbrengen van schanskorven,  cilindervormige vlechtwerken, gemaakt van wilgentenen en die met

aarde werden opgevuld. Het doe] hiervan was om de ertussen  geplaatste kanonnen te beschermen. Zo schijnt hij ook de uitvinder te zijn

geweest van de telegraaf, een ingenieus systeem, waarbij  geheime berichten door middel van een bepaalde codering konden worden

doorgeseind. Toch was alle verzet vergeefs geweest, want  een jaar later, in de nacht van 16 op 17 november 1582 slopen onder aanvoering van

de Spaanse overste Juan Baptista de Taxis de  Spanjaarden toch de stad binnen en wisten zij zonder slag of stoot de stad in te nemen. De

wachters bij de poorten hadden veel te diep  in hun glaasjes gekeken en lagen stomdronken in hun wachthuisjes op de wallen. Zo was het voor

de Spanjaarden dus vrij eenvoudig  om, weliswaar geholpen door een boer uit de omgeving, de stad binnen te glippen. Deze boer, Jan Ovink uit

Wapse, was op de hoogte  van de ondiepe plaatsen in de gracht en daar maakte men tijdens de overrompeling dankbaar gebruik van. De

bevolking probeerde nog  de stad uit te vluchten, maar de stadspoorten waren gesloten en de sleutels lagen in het stadhuis. Alle moeite was

voor niets geweest.  Veel inwoners waren gevlucht, de stad was vernield en geplunderd. Er heerste grote armoede onder de achtergebleven

burgers. De  Spanjaarden die de stad bezet hielden, trokken herhaalde malen in de omgeving op strooptocht uit. Zelfs maakte men de

scheepvaart  op de Zuiderzee onveilig. Steenwijk was daarmee een piratennest geworden. Het is clan ook geen wonder dat men er steeds bij

de  Landsregering op aandrong om de Spanjaarden uit de stad te verdrijven. Niet alleen de Spanjaarden misdroegen zich, ook de

achtergebleven veertig of vijftig Steenwijker's lieten zich niet onbetuigd. Vooral de  Friezen hadden veel van deze strooptochten te lijden.

Dikwijls boden zij en hun stadhouder Willem Lodewijk van Nassau ( 1560-1620)  geld en materiaal om het leger van de kapitein-generaal Prins

Maurits (1567-1625) te versterken, als dit Steenwijk wilde bevrijden. En  dat gebeurde op 4 juli 1592. Tijdens dit beleg van 1592, waarbij Johan van

den Kornput als militair adviseur van de Friese stadhouder  Willem Lodewijk optrad, werd onder andere gebruik gemaakt van de zogeheten

Kornputstoren of "Kiek-in-de-pot". De toren bestond uit  zeven verdiepingen van elk tien voeten hoog. Aan de onderkant waren de afmetingen

36 voeten in het vierkant, aan de bovenkant  bedroegen deze 24 voeten. Deze stellage was een ontwerp van Johan van den Kornput, naar het

voorbeeld zoals dat al door de  Romeinen was toegepast bij de verovering van steden. De toren kon via zes rollen van anderhalve voet breed en

met een doorsnede  van zes voeten over zware houten goten worden voortbewogen door ongeveer honderd personen. Op 29 juni 1592 werd

deze toren tot  vlak voor de stad gerold. De bedoeling daarvan was, om van bovenaf te kunnen zien hoe de situatie in de stad was en hoe het 

daarbinnen gesteld was met de verdediging. Het bleek echter geen succes, want al vrij snel schoten de belegerde Spanjaarden de twee 

bovenste verdiepingen er af, zodat de toren verder onbruikbaar was.

Johan van den Kornput (1542-1611).

Johan van den Kornput werd geboren in april 1542 als zesde kind in een gezin van elf kinderen. Zijn ouders waren Johan van den  Kornput (1492-

1569) en Anthonina Montens (1509-1578). Zijn ouders waren niet onbemiddeld: zijn vader, eveneens Johan geheten,  was griffier en

staatssecretaris van de stad Breda. Zij beschikten over zodanig veel geld dat zij hun kinderen konden laten studeren. Zo  vertrok Johan in 1558

naar Leuven als student in de medicijnen. Over zijn verblijf in Leuven is weinig bekend, evenmin als over zijn  vertrek naar Duisburg. Van 1562 tot

1567 verbleef hij in die stad, alwaar hij het gymnasium bezocht en inwoonde bij de zo beroemd  geworden cartograaf Gerard Mercator. Van hem

kreeg hij lessen in de wiskunde en in het kaart maken. Toen Johan later bij de  belegering van Steenwijk in 1580 aanwezig was maakte hij zelf

een kaart van Steenwijk. Omstreeks 1567 vertrok hij uit Duisburg en  kwam hij via Keulen en Bazel uiteindelijk terecht in Straatsburg, waar hij les

kreeg van de beroemde geleerde Johannes Sturm. Hij  woonde zelfs intern bij de rector van de academie. Gedurende enkele jaren was hij daar

praeceptor (mentor) van studenten. Dankzij  zijn vele omzwervingen en vele studies beschikte hij inmiddels over een grote algemene

ontwikkeling. Zo schreef een bibliothecaris nit  Straatsburg over hem: "Bij ons is Johan van den Kornput, een Nederlander, die klaarblijkelijk

duidelijk met een goed verstand is  begiftigd. Zeer ervaren in het Grieks, Latijn, Frans en Duits, als ook in vele andere disciplines, is hij ook een

voortreffelijk wiskundige,  een opmerkelijk dichter en een voortreffelijk musicus. Naast deze vaardigheden heeft hij een met geringe ervaring in

het graveren,  zodat hij in staat is landschappen, steden, vestingen en burchten heel precies in kaart te brengen en kunstig door tekenen of

graveren  weer te geven" Hoe lang Van den Kornput is Straatsburg is gebleven is niet bekend. Wel is bekend dat hij na 1570 koos voor een 

militaire loopbaan. Mogelijk heeft daarbij zijn geliefde studie van de ingenieurs wetenschap daarbij een rol gespeeld. In december 1573  was hij

in Holland waar hij bij de Poldervaart tussen Delft en Overschie, een Spaanse aanval afsloeg. Hij was toen de commandant van  een vendel dat

betaald werd door het gewest Holland. In 1574 werden enkele van dergelijke vendels samengevoegd tot een  kolonelschap of regiment. In 1578

verbleef hij in Vlaanderen, waar hij belast was met de verdediging van de stad Aalst. Daarna vertrok  hij naar het Noorden om daar als

"krijgsbouwmeester" op te treden. Hij nam op weg daarheen tevens nog deel aan een aanslag op Den  Bosch, die helaas mislukte. Op dat

moment voerde hij weer een vendel aan. In 1579 trad hij als hopman in dienst van het regiment van de graaf van Rennenberg, die hem de

opdracht gaf om Delfzijl, Appingedam,  Wedde en Winsum te gaan versterken. Wegens gebrek aan geldelijke middelen kwam daar echter

weinig van terecht. Hetzelfde  gebeurde ook in Coevorden. Op bevel van Rennenberg moest hij daar beginners met de herbouw van het kasteel

dat van moderne'  vestingwerken moest worden voorzien, maar verder dan het makers van een ontwerp en het leggen van een paar

fundamenten kwam  hij echter niet. Opvallend is wel dat Van den Kornput een zeer goede topografische kennis heeft. In zijn voorstellen tot het

aanleggen  van versterkingen spelen de natuurlijke gesteldheid en het klimaat een grote rol. Al tijdens zijn aanwezigheid in Coevorden was 

gebleken hoe standvastig Johan van den Kornput kon zijn. In Steenwijk zou hij dat tijdens het beleg van 1580-1581 ook duidelijk  toners. Toen in

Coevorden zijn soldaten begonnen te muiten en dreigden Johan en zijn collega bevelhebbers te doden, probeerde Van  den Kornput eerst de

muiters tot kalmte te manen, maar liet wel meteen de vijf belangrijkste muiters oppakken. Daarna liet hij als  afschrikwekkend voorbeeld drie

van hen in het openbaar ter dood brengen. Daarmee keerde de rust in Coevorden terug. Na het  verraad van Rennenberg op 3 maart 1580 werd

Coevorden voor de Staatsen nog belangrijker, aangezien het in de lijn der  verwachtingen lag dat Parma zou oprukken naar Groningen en daar

Rennenberg te hulp zou schieten. Daarom ook werden de  werkzaamheden aan de vestingwerken in Coevorden snel hervat, maar doordat de

noordelijke gewesten niet met extra geld over de  brug wensten te komen, schoot het werk maar weinig op. Johan van den Kornput zat op dat

moment bij Groningen en nam, daar deel  aan het Staatse beleg van de stad. Toen men vernam dat er een Spaans leger in aantocht was, sloot

Johan van den Kornput zich aan  bij de troepen van Filips, de graaf van Hohenlohe (1550-1606). Hohenlohe zou de vijand tegemoet moeten

trekkers. Johan van den  Kornput bleef echter op bevel van zijn commandant achter in Coevorden om deze plaats bezet te houden. Op 17 juni

1580 kwam het bij  Hardenberg tot een treffen, dat voor de troepen van Hohenlohe desastreus was. Hals over kop vluchtten zij terug naar

Coevorden.  Johan van den Kornput was op dat moment al vertrokken omdat hij er verder geen heil meer in zag om de maar amper versterkte

stad  te verdedigen. Ook moesten de Staatse troepen nu het beleg van Groningen opgeven. Johan van den Kornputs opvattingen komen  sterk

naar voren tijdens het beleg van Steenwijk in de winter van 1580-1581. Hij heeft die opvattingen beschreven in de Memories die  hij onder het

pseudoniem Reinico Fresinga enkele jaren later in Keulen heeft uitgegeven. In dit boek worden opvattingen en ideeën  besproken die we ruim

tien jaar later terugvinden bij de leger hervormingen van Willem Lodewijk en Maurits. Ook daaraan heeft Johan  van den Kornput een bijdrage

geleverd. We zien dat met name terug in de wijze waarop hij aanwijzingen gaf hoe bijvoorbeeld Wedde,  Bourtange en Delfzijl het beste

bevestigd konden worden. Het stratenpatroon in Delfzijl herinnert daar zelfs nog aan! Ook gedurende  het beleg van Steenwijk in 1592 zien we

Johan van den Kornput bij Steenwijk terug.Zijn laatste levensjaren bracht Johan van den  Kornput door als garnizoenscommandant, eerst in

Coevorden, later in Groningen. Een benoeming in Emden ging op de valreep niet  door. In zijn laatste jaren is hij ook niet verschoond gebleven

van de nodige problemen. Vooral met het Drentse bestuur is hij in de slag  geweest inzake de financiële verplichtingen die het gewest

tegenover zijn compagnie had, maar het volgens Johan met nakwam. In februari 1600 werd hij door Willem Lodewijk aangesteld als super-

intendant van Coevorden. En in 1605 werd hij benoemd tot  commandant van het Statenkasteel bij Groningen. Van den Kornputs einde kwam op

17 september 1611. Tot zijn dood is Van den Kornput hopman gebleven, getuige zijn lijfspreuk: "Tot  den lesten athem te dienen willig ende

bereft ". Hij ligt begraven in de Martinikerk te Groningen, vlak in de buurt van zijn grote rivaal Rennenberg. Naast de Scouting groep Steenwijk

herinneren alleen nog de Kornputsingel en de kazerne aan de Meppelerweg die er nu ook niet meer  is, nog aan deze dappere krijgsman. Sinds

november 2003 staat er nu voor hem een standbeeld voor hem bij de Oosterpoort!.

Johan van de Kornput De naam Johan  van den  Kornput is  onlosmakelijk  met Steenwijk  verweven. Hij was  bouwkundige van vestingen, 

kaarten maker en krijgsman. Verdediger van Steenwijk.