Kleine- of Onze lieve Vrouwe Kerk.

Een van de oudste monumenten in de stad Steenwijk is de Kleine- of Onze

Lieve Vrouwe Kerk. De kerk werd gebouwd in opdracht van het stadsbestuur

in verband met de Mariaverering in de Katholieke eredienst.

Naast de Grote of St.Clemenskerk, gesticht door de kerkelijke autoriteiten,

was er behoefte aan een aparte !!Maria Capelle", die la ter algemeen Onze

Lieve Vrouwekerk of kortweg Vrouwenkerk genoemd werd. De

Vrouwenstraat, voor de kerk, herinnert nog aan deze naam. Tegenwoordig

wordt meestal de naam Kleine Kerk gebruikt. Wanneer de kerk gebouwd is,

is niet bekend. Men vermoedt, dat reeds voor 1450 een kerkgebouw

aanwezig was. In 1523 werd het grootste deel van de stad Steenwijk door de

Gelderse troepen verwoest en in brand gestoken. Hierbij werd ook het

gehele stadsarchief vernield.

In het huidige archief is dan ook niets meer aanwezig over de bouw van de kerk.

Wel is bekend dat de kerk in 1477 door brand is verwoest. In de voorgevel bevindt zich namelijk een gedenksteen, waarop in het Latijn staat

vermeld: "Wie zeven en zeventig bij M (1000) met viermaal C (100) telt, weet wanneer deze kerk is verbrand en weer hersteld.”De aanwezigheid

van het stadswapen boven de ingang duidt nog op de invloed van het stadsbestuur. Nu was dat in het verleden niets ongewoons. Ook bij de

Grote Kerk vervulde de Magistraat een belangrijke rol.

Door het stadsbestuur werden kerkvoogden aangesteld, die de boeken van de kerk moesten controleren. Verschillende kerkelijke

funktionarissen konden alleen met instemming van het stadsbestuur worden benoemd en pas in 1810 hield het toezicht van de burgerlijke

overheid op de kerk op. 

De Kleine Kerk is een driebeukige kerk. De zijbeuken zijn recht en het vrij lange koor is door vijf zijden van een regelmatige achthoek afgesloten.

In de bouwkunst spreekt men wel van een "pseudobasiliek". Het middenschip is nl. hoger op g

e

trokken dan de zijbeuken. Hét kenmerk van een

basiliek. Maar de vensters die bij een basiliek boven in het middenschip aanwezig zijn ontbreken. Wel zijn aan de binnenzijde

venstervormigenissen aangebracht.

De kerk is gebouwd van rood-bruine bakstenen, met een formaat van 25 x 11,5 x 4,5 cm.Tufsteen is niet aanwezig, wat er op duidt, dat de kerk

niet tot de aller oudste kerken behoort. Oorspronkelijk stond de kerk op een vrij open ruimte en was er tegen de west-gevel een behoorlijke

toren gebouwd.

Deze is later afgebroken en de gevel werd daarna gewijzigd.

Er werd een nieuwe hoofdingang gemaakt met een tweetal deuren in neo-Gotische vorm. Boven de ingang is het stadswapen ingemetseld.

Hierboven bevindt zich thans een groot raam, onderverdeeld door een vrij rijke Gotische tracering, die duidelijk anders is dan die van de overige

ramen van de kerk.

De andere, oorspronkelijke vensters kenmerken zich door een veel eenvoudiger tracering.

In de loop der jaren werd de kerk meer en meer ingebouwd en aan het begin van deze eeuw was ze totaal ingesloten door kleine woningen.

Bij de restauratie gedurende de periode 1951-1959, werden vrijwel alle woningen aangekocht en afgebroken. Eén ervan werd aangepast om

dienst te doen als Consistoriekamer.

DE TOREN

Uit verschillende historische kaarten is op te maken, dat tegen de voorgevel een toren heeft gestaan. Op een kaart van Jacob van Deventer,

daterend uit het midden van de 16e eeuw, wordt de kerk afgebeeld met een toren. Ook Blaeu geeft op zijn bekende plattegrond van de stad

Steenwijk de kerk met een toren aan.

Om onbekende redenen is de toren dus verdwenen en verscheen op de top van de kerk een veel kleiner klokke torentje. De voorgevel werd

daarna geheel gewijzigd en in 1656 werd in deze gevel een gebrandschilderd raam aangebracht waarin het Steenwijker wapen, het anker,

voorkwam.

De huidige kleine klokkentoren heeft een stenen onderbouw, rustende op de voorgevel. De houten stijlen en regels zijn aan de bovenzijde

afgedekt met een met leien beklede spits. Bovenop staat een bal met een haan als windwijzer. In de toren bevindt zich thans een tweetal

klokken. De derde klok is beschadigd en elders.

Kerkklokken

In 1501 wordt voor het eerst gesproken over klokken in de toren. In dat jaar werden nl. door de bekende

klokkengieter Geert van Wou uit Kampen een drietal klokjes gegoten voor de "Maria Capelle". Een van deze

klokjes hangt thans nog in de toren en is de oudste klok die in de stad aanwezig is.

De twee andere zijn later opnieuw gegoten. Op

11

maart

1647

nam Mr. Franciscus Simoni op zich om een van

de klokken uit de "kleine toren", die gebarsten was, opnieuw te gieten. Op 21 december

1695

werd ook de

derde klok opnieuw gegoten.

De oudste klok uit 1501, draagt als opschrift: DEMONES FUGITE

(=

duivelen vlucht)

Zij heeft een doorsnee van 8

1

cm en weegt

333

kg. De tweede, in

1647

gegoten klok, draagt echter hét jaartal

1638. Hoe

dat mogelijk

is

blijft een vraagteken.

Deze klok heeft een doorsnee van

51

cm en een gewicht

 

van 87 kg.

Op de klok staat: SOLI DEO GLORIA ANNO DOMINI MFS

1638

Onder deze tekst staat het Steenwijker wapen: St. Clemens met het anker.

De derde klok weegt 121 kg en is in doorsnee

59

cm.

Er staat het jaartal

1695

op vermeld en de woorden: SEETNWICK HFS GEFT GODT DE HEER ALLEN DE

EER

1695 De rand is versierd met jachttaferelen en ook op deze klok staat weer het Steenwijker wapen.

In de Tweede Wereldoorlog zijn deze klokken uit de toren gehaald en naar Duitsland getransporteerd. Na de

oorlog konden ze echter worden opgespoord en kregen ze hun oorspronkelijke plaats terug.

EEN DRIEBEUKIGE KERK

De driebeukige ruimte vertoont door het gebruik van de rode baksteen een warme aanblik. De beuken zijn

gescheiden door ronde. van rode baksteen gemetselde kolommen. Het basement van de kolommen is

afgedekt met een geprofileerd stuk zandsteen en ook de zuil is aan de bovenzijde afgesloten door een

eenvoudig ring-vormig zandsteen kapiteel.

De beide zijbeuken zijn, evenals het middenschip en het koor, overdekt met op ribben dragende

kruisgewelven.

De ribben van de gewelven over de zijbeuken rusten op zandstenen draagstenen, welke versierd zijn met

gebeeldhouwde koppen. Ook in het koor zijn deze met koppen versierde draagsten aanwezig.

De midden-beuk is hoger opgetrokken dan de zijbeuken en heeft oorspronkelijk een houten tongewelf

gehad, dat later vervangen is door het huidige stenen gewelf.

De hele kerk is thans afgedekt met een sterke oud-Hollandse eikehouten kap,die van dakpannen is voorzien.

Het muurwerk in het middenschip boven de scheibogen, dat zijn de bogen tussen de kolommen, is versierd met Gotische venstervormige

nissen, verdeeld door traceringen.

De zijbeuken worden verlicht door later gedeeltelijk dichtgemetselde vensters. In de ramen zijn eenvoudige bakstenen traceringen

aangebracht.

In de muurvoet heeft men zogenaamde spaarnissen aangebracht. Daardoor had men minder stenen nodig en was het bouwen goedkoper. Het

koor had aanvankelijk grotere ramen. Deze zijn later vervangen door de huidige. Het schijnt dat tussen de aanwezige steenijzers, velden van

gebrandschilderd glas in lood hebhen gehangen. Ook hierin zou het Steenwijker wapen zijn afgebeeld. Helaas is hier niets van bewaard

gebleven.

HET INTERIEUR

Wie de kerk binnentreedt, laat meteen het oog vallen op het grote gemetselde middenschip. Het koor

en de zijwanden zijn echter van een gepleisterde witkalklaag voorzien. Of hierin in het verleden ook

nog wand-schilderingen zij geweest, is niet bekend. Bij de verschillende restauratie werkzaamheden is

hiervan niets aangetroffen.

De vloer in de kerk is thans afgewerkt met donkere plavuizen. Ongetwijfeld hebben er vroeger vele

grafzerken gelegen, want ook in de Kleine Kerk werden de Steenwijkers begraven en hun graf werd

met fraaie en minder fraaie grafzerken afgedekt.In 1655 werd een geheel nieuwe vloer aangebracht.

Door het vele graven was de vloer zo oneffen geworden dat het meubilair niet goed meer kon worden

neergezet.

Na de Hervorming heeft men het koor afgesloten met een eiken koorhek. Dit hek was aan de

onderzijde voorzien van panelen en aan de bovenzijde versierd met gedraaide balusters. Hiertegen

heeft men later een wand van stucwerk aangebracht, zodat het koor volledig werd afgesloten. De kerk

was daardoor veel kleiner dan thans het geval is. Tegen het koorhek stond de preekstoel. In 1654 werd

deze,ook nu nog aanwezige preekstoel gemaakt door Mr. Geert Jansen ten Polle. De kuip rust op een

gedraaide eiken kolom en is via een wenteltrap bereikbaar. De bovenzijde wordt afgedekt door een

eenvoudig klankbord. Tijdens de restauratie werkzaamheden in de periode 1951-1959 werd de

preekstoel verplaatst en aangebracht tegen de kolom op de scheiding van koor en middenschip.

Het huidige orgel dateert van 1880 en werd gebouwd door Petrus van Oechelen uit Haren. Reeds in

1656 werd gesproken over een nieuw orgel. Toen kreeg Antonie Abbing Stuit de opdracht om het toen

aanwezige orgel te vervangen door een nieuw orgel, dat tot 1880 in gebruik is gebleven.

Zoals reeds is vermeld, lagen er in de kerk diverse grafstenen. In de loop der jaren zijn ze vrijwel

allemaal verdwenen. Slechts een drietal is thans nog in het koor aanwezig. Enkele restanten werden bij

de ingang van het koor op de vloer ingepast.

Begraven in de kerk, was een normale zaak. Hoe meer geld men had, hoe dichter men bij het koor

of

bij de preekstoel begraven kon worden.

Een ordonnantie op het begraven van 9 maart 1594 bepaalde: "Wie in de Vrouwenkercke wil begraven

op te koor of aan de oostzijde van den preekstoel betaele

tot

reparatie en onderhoud

3

gulden voor

een oude doode en 2 gulden voor een jonge doode (onder de 14 jaar)”

Aan de westkant van de preekstoel was het goedkoper: 2 gulden voor een oude

en

1 gulden voor een

jonge dode.

In de Franse tijd zijn de wapens van de grafstenen verwijderd.

De drie overgebleven stenen dragen de volgende opschriften:

"Ano 1588 de 19 August sterf de derbare

Frans

Tiszo” Op de steen staat verder nog een wapenschild.

Een andere steen geeft een stukje historie: "Jonker Willem van Dorp, in sijn leven collonnel mitsgaers

Baillu ende dyckgraef

 

van Delftland, wert geschoten den

3

July 1592 int aanvoeren van een storm op deze stat Steenwyck.”

Willem van Dorp stierf bij een van de laatste aanvallen van het leger van Prins Maurits, waardoor de stad van de Spaanse bezetting werd

bevrijd. De derde grafzerk vermeldt: "De Erb end Frow Marg. ter Barchhorst. D Ern Hopm. Crin. D. Blau huisf. is in den Heren ontslap. D. XX Octob,

An 1597.”

In 1812 werd het begraven in de kerken verboden en moest er begraven worden op het kerkhof bij de Grote Kerk en later op het kerkhof aan de

Meppelerweg.

In de vorige eeuw werd nog een tochtportaal in neo Gotische stijl aangebracht, dat met fraai beeldhouw-werk is versierd.

EEN KATHOLIEKE KERK

De kerk was in het verleden: de katholieke kerk. Het koor nam een belangrijke plaats in, want hier stond het hoofdaltaar. Hier kregen de

geestelijken gelegenheid om hun godsdienstige plichten te vervullen. De burgerij zat in de kerk.

Dikwijls waren aan de kerk verschillende geestelijken verbonden, die ieder soms ook nog een eigen altaar hadden.

Het was in die tijd de gewoonte dat een aantal burgers een broederschap of gilde vormden, ter vermeerdering van Gods eer en die van de

Heiligen. Ook de ambachtslieden kenden dergelijke gilden (smedengilde. brouwersgilde).

Aan de Vrouwenkerk was reeds in

147.5

de O~L. Vrouwenbroederschap, ook wel O.L. Vrouwememorie genoemd, verbonden.

Dit was een geestelijke broederschap met een eigen altaar en met een door de broederschap bekostigde priester.

De broederschap zorgde voor de zielsmissen van de overledenen en deed uitkeringen in voedsel en kleding en soms ook wel in geld.

Elke vrijdag werd er voedsel uitgedeeld: een hoeveelheid rogge en een achtste boter. Men hield eenmaal per jaar een vergadering, een

gezellige maaltijd zou men kunnen zeggen.

In 1490 werd een eigen priester aangesteld. Voor die tijd deden de door het Stadsbestuur aangestelde geestelijken in opdracht van de

broederschap het werk in de kerk.

De inkomsten van de broederschap bestonden uit bijdragen van de broeders, legaten en andere schenkingen. Soms in geld of goederen, ook

wel in stukken land. Deze werden dikwijls verpacht en de opbrengst werd voor het gilde gebruikt. In Steenwijk waren in totaal zes van dergelijke

broederschappen.

De eigen geestelijke kreeg bij zijn aanstelling een woning in de Doelenstraat met een hof, een tuin buiten de Oosterpoort. De priester moest op

verschillende dagen in de week de  mis opdragen. Op vrijdag las hij de namen van de

"br-o

de

r-en

en sus teren" die gestorven war en en

herdacht hij ze in gebed.

Na de Hervorming konden deze zuiver Katholieke zaken als missen en de Mariaverering niet blijven bestaan. De uitkeringen aan armen en

zieken  bleef echter. Toen ook de jaarlijkse eet- en drinkpartij werd afgeschaft, had het weinig zin meer om de gilden in stand te houden. De

gilden stierven uit. Maar de bezittingen bleven. Ieder jaar werd door het Stadsbestuur een Memoriemeester aangesteld die het beheer over de

goederen moest voeren.

In 1719 werden de bezittingen van de broederschap samengevoegd met die van de Swindermanstichting. Ook deze stichting zorgde namelijk

voor armen en zieken en ouden van dagen. Na de Hervorming werden de bezittingen eigendom van het Stadsbestuur en een deel ging later

naar  de Protestantse gemeenschap.

Een bijzonderheid is wel dat de uitkeringen tot op heden zijn blijven bestaan. Jaarlijks wordt nog een bedrag van

f76,80

aan een zestal

stadgenoten uitgekeerd, terwijl op dit moment één proeve" vakant is.

DE HERVORMING

In

1578

had ook in Steenwijk de hervorming haar intrede gedaan. Kwam men aanvankelijk bijeen in particuliere huizen, in

1580

mocht men de

Gasthuiskerk gebruiken voor de protestantse erediensten. In

1579

werden de inkomsten van de pastorie van de Kleine Kerk door het

Stadsbestuur aan de Hervormden toegewezen. Dominee Laan werd de eerste Steenwijker predikant.

Toen de stad in 1582 echter in Spaanse handen viel, kwamen alle kerken weer in handen van de Katholieken en was er voor het protestantse

geloof geen plaats meer.

In 1592 veranderde de situatie geheel. Steenwijk werd door de troepen van Prins Maurits heroverd en de Katholieken verdwenen vrijwel geheel

uit Steenwijk.

Dominee Laan was inmiddels uit Steenwijk vertrokken en dominee Bogerman werd zijn opvolger.

De Gasthuiskerk was door het beleg volkomen vernield en ook de Grote Kerk had ernstige schade opgelopen.

De Kleine Kerk was derhalve de enige ruimte waar de gereformeerden hun godsdienstoefeningen konden houden.

Alles wat aan de Katholieke erediènst herinnerde werd verwijderd en de Hervormden kregen tevens de beschikking over een deel van de

inkomsten van de Kapittelgoederen van de Grote Kerk.

Wel bleef de invloed van het Stadsbestuur groot. In

1810

werd het toezicht van het Stadsbestuur over gedragen aan de kerkeraad van de

Hervormde Gemeente.

RESTAURATIE

Net als alle gebouwen, heeft ook een kerk veel onderhoud nodig. Nu is dit in de meeste gevallen nogal kostbaar, vandaar dat dan ook de

meest noodzakelijke voorzieningen worden getroffen. Op den duur gaat daardoor het bouwwerk steeds meer achteruit.

Ook de Kleine Kerk werd in de loop der jaren gerepareerd en gerestaureerd. Vooral tijdens de verschillende belegeringen die Steenwijk moest

doorstaan, werd de kerk nogal eens beschadigd. Soms diende ze als kazerne, wanneer soldaten er hun verblijfplaats van maakten en tijdens de

overstromings-ramp in 1825,waarbij vrijwel geheel Noordwest Overijssel onder water stond, werden zelfs

180

koeien en ander vee in de kerk

ondergebracht.

In de loop der jaren was de toestand van de kerk dermate verslechterd, dat een grondige restauratie dringend nodig was.

Reeds voor 1940 had men het besluit genomen om tot restauratie over te gaan en er was zelfs al een fonds gevormd.

Helaas zorgde de Tweede Wereldoorlog voor een langdurig uitstel en het duurde tot 1951 voor men kon beginnen. Voor een totaalbedrag van

ruim 350.000 gulden werd gedurende acht jaar aan de kerk gewerkt.

De voorgevel werd van de pleisterlaag ontdaan. Deze was reeds veel eerder aangebracht om de slechte toestand van het gebouw te

kamoufleren.

Grote delen van de muur moesten opnieuw worden ingemetseld, terwijl ook de overige muren en steunberen flink werden bijgewerkt. In één

van de steunberen werd een pot met gegevens en foto's over Steenwijk inge-metseld.

Ook de binnenzijde van de kerk werd totaal opgeknapt. Het stucwerk, dat het koor afsloot, werd verwijderd en de ruimte die tot dan toe als

opslagplaats was gebruikt, werd aan de kerk toegevoegd.

Dit bracht met zich mee, dat ook de preekstoel verplaatst moest worden, want deze stond tot 1951 midden tegen deze scheidingsmuur_ Het

orgel kreeg een grondige opknapbeurt en werd van een elektrische windinstallatie voorzien. De vloeren werden opnieuw ingelegd, de muren

bijgewerkt en een geheel nieuw interieur werd aangebracht. Kortom het gehele gebouw kreeg een andere aanblik. Door de afbraak van een

aantal woningen rondom de kerk, kreeg ze ook een geheel ander aanzien.

Bij de officiële opening boden de kerkvoogden een nieuwe kanselbijbel aan en op donderdag 26 november 1959 werd de kerk in een plechtige

bijeenkomst weer voor de Gemeente opengesteld. De zondag daaropvolgend vond de eerste k

erkdi

enst plaats.De kerk, neemt thans nog een

belangrijke plaats in het Hervormde leven van vele Steenwijkers in. Vrijwel alle rouw- en trouwdiensten vinden hier plaats en elke zondagavond

is er nog de gewone avonddienst.

De Nederlandse Hervormde Kerk besloot begin jaren negentig van de vorige eeuw het kerkgebouw af te stoten.

In 1993 verkochten zij de Kleine Kerk aan de vrijgemaakt-gereformeerden, die er op 30 mei 1993 hun eerste dienst hielden